21.5.18

[Hij gooide de resten van het ijswafeltje in het water en glimlachte om het patroon dat nu ontstond: bliksemsnelle aanvalletjes, gevolgd door korte vluchtmanoeuvres, alsof elk zinkend kruimeltje een dieptebom was die eerst onschadelijk gemaakt moest worden. (uit: Martin Michael Driessen De pelikaan. Van Oorschot, 2017. p 23.)]

18.5.18

14.5.18

[Zijn leven lang zou de splijtende bliksemschicht van die avond hem bijblijven, in de tijd waarin er in Deurlo kruisraketten op het oosten stonden gericht maar je voor een seksboekje helemaal naar de stad moest. (uit: Tommy Wieringa De heilige Rita. De Bezige Bij, 2018. p 134.)]

In de nacht van zaterdag op zondag zag ik in een droom Koen Peeters - hij gaf me enige uitgeprinte e-mails. "Lees die eens door," zei hij erbij.

Het gebeurde allemaal in de living van mijn ouderlijk huis. We zouden ergens naartoe met de wagen, eten. Koen zou rijden. G. was erbij, en ook mijn collega F. Ik droeg mijn zwarte schoudertas en ook nog een linnen zak, hoewel ik niets mee hoefde te nemen behalve dan die e-mails. Ik kon mijn schoenen niet vinden.

Toen maakte mijn vrouw me wakker. We moesten de baby iets geven tegen de koorts.

24.4.18

[Een man gleed voorbij met de grijptang en porde de das juist op het moment dat de hond naar voren schoot en de das verhief zich en beet onder luid gejuich terug naar de hond en de hond dook weg van de beet die zo snel als de bliksem was geweest. (uit: Cynan Jones De burcht. Koppernik, 2015. p 101.)]

18.4.18

[De lucht stond daar in lichterlaaie en de meeste vlammen kwamen van een lange, omrasterde pijp die als een vuurspuwende vrouw grote, oranjerode bolbliksems tegen het grijze zwerk toverde. (uit: Lévi Weemoedt De ziekte van Lodesteijn. Penta Pockets (nr9727), 1997-1998. p 121.)]

4.4.18

In de nacht van maandag op dinsdag zag ik in mijn droom een huismus.

Ik wandelde door een park, misschien het Elisabethpark in Ganshoren, en zag rechts naast het pad een huismus. Nee, het waren er twee - ze aten van achtergelaten brood. Ik greep er één met mijn rechterhand en wandelde verder, huismus (vrouwtje) in mijn hand, maar ik zat ermee verveeld dat de vogel luid begon te piepen. Ik zette haar weer neer, rechts van het pad.

Weer wakker, dinsdag, dacht ik terug aan de kuifmakaak die ik eens een huismus zag pakken. En nu, dit tikkend, zie ik de vos voor me die ik vanmiddag zag bij het Galgenweel. Dood was die.

28.3.18

['Ze schijnen er elektriciteit mee op te wekken,' fluisterde Eddie achter zijn hand.
'Is zo'n molen niet om koren te malen?' vroeg ik.
'Als het straks bliksemt zullen we ook elektriciteit hebben,' mompelde Joris, die een sigaret aan het rollen was. (uit: Bart Koubaa De vogels van Europa. Querido, 2014. p 62-63.)]

24.3.18

13.3.18

[Niet een blikseminslag werd het vliegtuig fataal, maar ijsafzetting in het motorblok. (uit: Gerrit Jan Zwier De omweg naar Paaseiland. Atlas Contact, 2016. p 23.)]