29.4.15

[Karel (tot Kees): Denk jij nou ook dat onze beschaving naar de bliksem gaat?
Kees: Geen twijfel mogelijk.
(uit: J.J. Voskuil Mensenkinderen. Van Oorschot, 2015. p 39.)]

11.4.15

[Buiten stond een portier in kleurig livrei. Toen we naar binnen wilden, hield hij ons tegen.
'Dit is niets voor kinderen,' zei hij.
'We willen naar onze ouders. Die zijn binnen.'
De portier dacht even na. Toen liet hij ons door.
Onze ouders waren als door de bliksem getroffen toen ze ons plotseling zagen. (uit: Edgar Hilsenrath De belevenissen van Ruben Jablonski. Ambo/Anthos, 2015. p 242.)]

7.4.15

Een goede week geleden zag ik in een droom een oehoe. Maar het was niet helemaal echt, het was op een foto - op het internet, geloof ik.

En een paar dagen daarna zag ik weer wat anders, ook in een droom. En vanochtend vroeg ook weer. Maar wat dat allemaal was, ben ik als vanouds vergeten.

19.3.15

[De dikke jongen met de hazelip is er nu een jaar. Daarvoor zal het, aan de inrichting te zien, een voortreffelijk, ouderwets hotel geweest zijn. Hij zal het binnen de kortste keren naar de bliksem helpen. (uit: J.J. Voskuil Buiten schot. Van Oorschot, 2005. p 347.)]

15.3.15

Een nacht of wat geleden zag ik in een droom een kwak. Hij kwam aanvliegen en zette zich op een afdak. Daar kreeg-i het aan de stok met een blauwe reiger en een duif - er werd heen en weer gepikt.

20.2.15

Enige nachten geleden zag ik in een droom twee ransuilen - ze zaten in de voortuin van mijn ouderlijk huis.

Rechts naast de oprit was een onkruidveldje en daarnaast een rij coniferen met daar weer achter een weilandje. Op het onkruidveldje stond een opel manta geparkeerd, of een soort cadillac, in geel en wit. De uilen zaten beurtelings op die opel/cadillac en in de coniferen. Zelf probeerde ik op een gegeven moment ook op de opel/cadillac te klimmen, en dat viel me niet mee. Het onkruidveldje lag ietwat in een helling en de graspollen waren fameus. Er was nog iemand bij, maar wie?

14.2.15

[Hij schreef: 'Ik sukkel op dit ogenblik verschrikkelik. Ik kan zo te zeggen geen "poe" zeggen. Een miserie, vriend. Ik weet wel dat ik, fysies, als mens naar de bliksem ben, maar ik vind dat men mij toch een minimum mocht laten.' (uit: Koen Broucke, Peter Holvoet-Hanssen, Koen Peeters & Pascal Verbeken Miavoye. De Bezige Bij Antwerpen, 2014. p 88.)]

4.2.15

[Mijn oog viel op een beeldje van een engel, helemaal in de nok van zijn huismuseum.
'Is dat je bliksemafleider?' (uit: Frank Westerman Stikvallei. De Bezige Bij, 2013. p 152.)]

18.1.15

[Mijn ouders zijn kort na elkaar in een bliksemslag gestorven. Ik bedoel dat de dood onverwacht kwam, ik was er niet bij, ik werd opgebeld toen het al gebeurd was, ik kon er tijdens een lange autorit over nadenken, misschien kon ik er zelfs al en beetje aan wennen. (uit: A.L. Snijders Heimelijke vreugde 2. Thomas Rap, 2008. p 203.)]