22.1.17

[Een tweeling achterlichten bliksemde - whoesj! whoesj! - ter vreugdevolle herkenning. Een auto zou eigenlijk ook moeten kunnen hinniken. (uit: Anton Valens Het compostcirculatieplan. Augustus - Atlas Contact, 2016. p 50.)]

11.1.17

Enige nachten geleden zag ik in een droom een huismus die een ransuil bleek.

Ik had een huismus gezien en gefotografeerd; op de foto zat hij frontaal, vrij, op een paaltje. Ik had de foto online gezet met erbij de determinatie: huismus. Na enige tijd kwam de melding van een echte vogelaar - Gerald? - dat het een uil was. Ik bekeek de foto nog eens goed en stelde vast dat de echte vogelaar - Gerald? - gelijk had. Het was een ransuil.

4.1.17

Gisterennacht zag ik in een droom drie buizerds en enige koolmezen. De buizerds zaten in een gevelplant tegen een huis aan de overkant van de straat. Eén van hen was zeer licht, een andere was zeer zeer donker. De koolmezen zaten in dezelfde plant, maar of dat samen met de buizerds was, of vroeger, of later, dat weet ik niet.

Er was ook een ruzie op straat. Twee bejaarde buren leefden blijkbaar al jaren in onmin en nu was er ook nog een aanrijdinkje gebeurd. Het kwam tot een handgemeen, maar de politie was er snel bij. Heel de buurt stond op straat, de zon scheen, het leek gezellig.

Toen ik wakker werd, was het zes uur. Ik knipte het lampje aan en las 50 verzen in de Odyssee-vertaling van Patrick Lateur.

29.12.16

[De hemel waaruit bliksems flitsen en die de aarde omspant is altijd mannelijk. (uit: Bruce Chatwin Anatomie van de rusteloosheid. Ooievaar, 1997. p 200.)]

21.11.16

Vannacht zag ik in een droom - ik stond in een woonkamer in een woonblok, de vierde verdieping misschien, door de ruit naar buiten te kijken - twee pestvogels in de top van een bijna kale boom invallen.

Twee pestvogels; even daar, en dan weer verder. Ik denk niet dat ik een verrekijker bijhad, maar ik zag het donkere masker duidelijk. Verder weinig details, het weer was grijs.

Wellicht waren het er twee van een grotere groep. Al dagen, nachten, zag ik in de verte groepjes vreemde spreeuwen vliegen, spreeuwen die ik ervan verdacht pestvogels te zijn.

[+ Van wie was die woonkamer?]

18.11.16

[Ik gooi de halve sigaret in de badkuip. Dwars door de tegelwand loopt een versteende bliksemschicht. (uit: Jaap Robben Birk. De Geus, 2014. p 107.)]

7.11.16

[Als de constante muziek een halve minuut zwijgt, is het als het eindeloos stille moment dat tijdens een onweer tussen bliksem en donder ingeklemd zit, angstig, ademloos, met stilstaand hart. (uit: Joseph Roth De blonde neger en andere portretten. Bas Lubberhuizen, 2015. p 149.)]

2.11.16

[Hier en daar lagen op open plekken plassen fel zonlicht, Vincent zag dat Fiona eroverheen probeerde te stappen en dacht aan zichzelf als kind, aan de onbezweerbare dwang (op straffe van bliksem, kogel) niet op lichte of donkere stoeptegels te gaan staan. (uit: Stephan Enter Grip. Van Oorschot, 2012. p 150.)]

21.10.16

-de man die de trappen voor de basiliek voegt. Soms zit hij op zijn knieën de trappen voor de basiliek te voegen. Soms staart hij in de verte, over het Elisabethpark, over de Leopold II-laan, over de torens rond het Noordstation.

-de Koreaanse dames die 's middags over de heuvel rond de basiliek wandelen. De Koreaanse dames die 's middags over de heuvel rond de basiliek wandelen - dat weet bijna niemand - komen met de auto.