21.9.04

Lief vindt er niets aan.. Maar stel je voor: ik was acht, dan was ik vandaag wel de stoerste van allemaal op school.

Het is nacht. Zacht getik en gezoem, verder stilte. Morgen plak ik een band, schrijf ik minstens drie sollicitatiebrieven en denk ik na over meningen die ik hier over boeken neerschrijf; over snelheid, herlezen, respect, fundering en nauwkeurigheid. En ik maak tijd voor lief, want zij heeft vakantie deze week en wordt al te vaak verwaarloosd. Lieven hebben het niet makkelijk hier bij mij. Zo is dat.

19.9.04

Wat erg charmant is: rijdende ijskramen waarin ook de zoveelste generatie nog echt de roze Gazetta dello sport leest. En dat het vandaag Zuiderzinnen is. Nog een sandwich en we vertrekken.

18.9.04

Michael Moore: 'Stupid white men'

Stupid white men, op 14 juni haalde ik het uit de bib en het staat vandaag, toch al drie maanden later, nog steeds hier op het boekenrek. Hoog tijd dat ik dat tekstje erover - dat al weken in mijn hoofd zit trouwens - schrijf want ik wil dat boek de deur uit (en de bibliotheek wil het terug, dat ook).

Moore houdt niet van Bush (oeps, net de halve inhoud van het boek verklapt), ik ook niet, maar ik hou ook niet van Moores boek. Waarschijnlijk komt dat voor een deel door de stijl: Moore is nogal een roeper (een roeper!). Hij zegt niet dat Bush een foeteraar is, wat hij ongetwijfeld is, maar hij roept het. En hij roept het niet één keer, maar een heel boek lang. Moores stijl kan werken in een kritisch (of beter: opruiend) artikel, maar als hij een heel boek van zo'n 280 bladzijden duurt, ga je je eraan ergeren. Ik las onlangs een interview met Moore in Humo (nr 28/3331 p 130-134) waarin hij het ook zelf (maar dan in verband met zijn films) verwoordt:

Ik heb het gevoel dat een klein beetje Michael Moore beter is dan véél Michael Moore.
En daar heeft hij gelijk in. Ik kan mij voorstellen dat je als Amerikaan na het lezen van dit boek, na al dat getier naar je kop, er tijdens de volgende verkiezingen speciaal voor kiest om op Bush te stemmen, en dat om die Moore, die driftkikker, te pesten.

Genuanceerd is het ook allemaal niet. Het is de goeden tegen de slechten, en de goeden dat zijn dan Moore, wij (natuurlijk) en het echte Amerikaanse volk, terwijl de slechten vertegenwoordigd worden door al wat enigszins een republikeins geurtje heeft. Wat Walsch is Valsch is, zo komt het over. Geen enkele republikein is te vertrouwen, en genezing is blijkbaar niet mogelijk, denken we maar aan Theresa LePore (p43-44) ooit lid van de republikeinen en daarna voor het leven verknoeid, ook al stapte ze uit de partij, werd ze democraat en daarna onafhankelijke.

Vreemd is het wanneer Moore het over het Amerikaanse volk heeft en daar dan blijkbaar heel het volk mee bedoelt, behalve het toch aanzienlijke deel dat republikeins stemt. Hij goochelt met cijfers en geeft aan dat het aandeel van de bevolking dat effectief op Bush stemde erg klein is (p 31); dat het misschien intellectueel oneerlijk is om er bij de berekening van dat aandeel geen rekening mee te houden dat een deel van het Amerikaanse volk kinderen zonder stemrecht zijn en dat een groot deel van de bevolking met stemrecht gewoonweg niet gaat kiezen, komt blijkbaar niet bij hem op. Die kinderen en niet-stemmers hebben natuurlijk niet op Bush gestemd, maar alleszins ook niet op Gore.. (Ik bevestig hier met deze zinnen trouwens wat ik in de vorige paragraaf zei: heel zijn betoog komt zo doordrammerig over, dat je net de neiging krijgt om er tegen in te gaan. Om je koppig tegen de man te verzetten. Je gaat voortdurend op zoek naar tegenspraken en incorrectheden, hoewel je je wel in zijn basisidee (Bush is een foeteraar) kan vinden.)

Maar we moeten niet klagen over de stukken waar Moore het voornamelijk over Bush heeft. Daar is hij tenminste duidelijk, daar snappen we tenminste waar hij naar toe wil. Later wordt het lastiger en blijken zelfs de democraten niet te vertrouwen. Helemaal moeilijk wordt het in hoofdstuk 8, waar Moore conflicten als de Palestijnse en de Noord-Ierse kwestie tracht op te lossen. Hier worden zijn bedoelingen al heel wat vager. Waar wil die man naartoe, vraag je je af. Het is onmogelijk dat hij de door hem voorgestelde oplossingen als serieuze voorstellen beschouwt, nee, serieus is het niet, maar wat is het dan wel? Humor? nee, ook dat lijkt volkomen onmogelijk; grappig is het in elk geval niet. Hoe de Noord-Ierse kwestie oplossen? Bekeer genoeg protestanten tot er een katholieke meerderheid is. En wat als de protestanten zich niet willen laten bekeren? Ren met een tuinslang die gevuld is met gewijd water door de protestantse buurten wijlst roepende 'ik doop u'. Vreselijk, zelfs Bush zal inzien dat zoiets niet helpt. En Moore zou moeten inzien dat het de geloofwaardigheid van zijn anti-Bush missie niet ten goede komt. (En nog iets: Moore beweert dus dat na het tuinslang-gebeuren al de problemen opgelost zullen worden door het feit dat er dan een katholieke meerderheid in Noord-Ierland zal bestaan. Vreemd dan toch dat er in de VS nog steeds zo'n problemen met de republikeinen zijn als er, zoals Moore beweert toch veel meer mensen (drievierde van het volk, zeg maar) eigenlijk tegen Bush zijn. Maar soit.) Voor ons wel leuk is dan weer dat hij in hetzelfde hoofdstuk, waar hij zegt dat de Britten intelligente mensen met veel gevoel voor humor zijn, stelt dat die typering een grove generalisatie is (p 201). Zulke opmerkingen waren in het wat-Walsch-is-valsch-is-deel van zijn betoog blijkbaar niet nodig.

Ik geef nu wel kritiek, maar ik ben me er tegelijkertijd van bewust dat dit boek in Amerika een functie heeft gehad, dat dit boek een heel aantal ogen heeft doen opengaan, dat het een aantal mensen de macht van de grote bedrijven, media-concerns en politieke clans heeft doen inzien. Onwetend gehouden Amerikanen kunnen dit boek als springplank voor een kritische kijk gebruiken. Maar, helaas, voor mensen als u en ik die in onze media toch een iets kritischer berichtgeving over de Amerikaanse politiek krijgen, is dit boek allerminst onmisbaar. We kunnen het lezen om een beeld te krijgen van wat al die honderdduizenden Amerikanen lazen, we kunnen het nog net een interessant maatschappelijk document vinden, maar omdat de belangrijke functie als eye-opener bij ons niet werkt, is het bovenal een vermoeiend staaltje geroep en irritante doordrammerij.

(Tot slot nog dit: Moore, of zijn redacteur, moet eens leren op de correcte plaatsen een witregel in te lassen. Ze staan soms erg fout, halverwege een uiteenzetting of drie zinnen na een natuurlijke breuk; Ik wou dat ik u een voorbeeld kon aanwijzen, maar ik heb gewoon geen zin meer om het boek open te slaan en mij opnieuw tussen meer van hetzelfde te begeven. Jammer. Ik ben er moe van, van die Moore.)

Michael Moore Stupid white men. Amsterdam: De Arbeiderspers, 2003. (vierde druk)

17.9.04

bij Fernand

Vandaag voor het eerst sinds een jaar of tien mijn haar nog eens bij een echte kapper laten knippen. Ik had namelijk geen zin in gedoe met mijn duidelijk te goedkope tondeuse en de plaatselijke middenstand, Fernand in dit geval, mag ook wel eens wat hebben. Acht minuten binnen - ik heb het getimed - en daarna zes keer zo fris weer buiten.
7 euro. Een koopje, toch?

Nadien zette het me wel aan het denken. Nadien, toen ik langs het interim-kantoor ging om mijn contract op te halen. 8 euro per uur. Bruto. Dan heeft Fernand het toch beter voor elkaar. Ik heb vervolgens geen nieuwe loopschoenen gekocht.

15.9.04

Jean-Philippe Toussaint: 'Zelfportret (in den vreemde)'

Wie werkt, zo dacht ik, heeft minder tijd om te lezen en dus koos ik vorige week Zelfportret (in den vreemde) uit als lettervriend. Korte en losstaande stukjes zijn wel zo makkelijk als er niet echt doorgelezen kan worden.

Moet ook u dit lezen tijdens uw middagpauzes. Ja. Maar niet helemaal natuurlijk - uw tijd is nog kostbaarder dan de mijne - ik maak, bemoederend als vanouds, voor u een selectie: bladzijde 72 tot en met 74. Eventueel 67-74. U kiest voor het lezen een dag uit met wind en lage bewolking, maar zorgt ervoor dat er zon is op het rustige pleintje / parkje / binnentuintje waar u net op een bankje uw boterhammen opat. Lezen en daarna ogen dicht en genieten van de zon op uw gezicht. En eventueel, daar in de zon, dan toch nog eens overdenken hoe dat kan; de lezer eerst laten denken dat het toch wel heel erg gênant is van die secretaris-generaal, hem daarna de algemene psychose toch wel grappig gezellig laten vinden en hem er uiteindelijk geheel in laten meegaan, in dat onnozele vragen om een "liedje". Ja, man. Geestig bovendien.

Geen Zelfportret van Toussaint in uw persoonlijke of openbare bibliotheek? Lees dan het gedicht Straattheater van Remco Campert, overal te krijg en te koop, zeker nu de man net 75 werd. Nog korter om te lezen en zonder denkopdracht van mijnentwege achteraf, maar even leuk. Linksboven op dit blog alvast de eerste drie regels, de volgende twintig zijn o.a. te vinden in de bundels Straatfotografie (1995), Dichter (1999) en Kus zoekt mond (2000). En in de nieuwe complete, driedelige Remco Campert natuurlijk.

Jean-Philippe Toussaint Zelfportret (in den vreemde). Amsterdam: Van Gennep, 2000.

lezen voor het leven

In de fijne Zweedse krant Dagens Nyheter vandaag een artikel over leesonderwijs in Zweden. Over wat het is en zou kunnen zijn. Boeiend, en tot de laatste paragraaf, want je denkt er niet aan maar ook dit is waar:

Skolan har två uppdrag, fortsätter Molloy. Det ena är att överföra kunskap. Men skolan ska också fostra demokratiska medborgare. (...) Det som gör det intressant att tala om litteratur är att det uppstår brytningspunkter mellan tolkningarna, mellan de olika läsningarna. Man lämnas med en stark uppfattning att folk är olika, har helt olika synpunkter. Litteraturlärarens uppgift är att vara en god samtalsledare. Att se till att avvikande uppfattningar inte avfärdas utan används. På så sätt kan man lägga grunden till ett demokratiskt samtal.
Voila zie. Voor al de mensen die nog een reden voor literatuur in de klas nodig hadden.

14.9.04

Het heeft weer veel te lang geduurd, al dat geknoei aan het perenblog. Vlug nu bij lief onder de dekens. En warm zijn en slapen. En dan morgen op tijd weer op om op die zevende verdieping fris te gaan zitten wezen. Alvast een zucht. En nog.

5.9.04

openbare conclavofobie

Ik vermoed dat het begint wanneer je 45 bent. De angst om niet tijdig bus, trein of tram te kunnen verlaten bij de gekozen halte. De angst voor de te laat opengaande deur. Paniek. Ook ik zal er last van krijgen, illusies over een vredevolle aftakeling koester ik niet, maar ik zal alvast één ding onthouden: vijftien seconden voor stilstand al als een razende gek op de openingsknoppen beginnen rammen helpt niet.

1.9.04

Ik had zin om te klagen over kastjes, muren en de wegen en tijd daartussen, maar kijk daar: buiten, het lijkt wel opnieuw lente. Ik zet me met een boek voor de deur.