5.1.18

Op een woensdagvoormiddag, half december, zag ik in mijn slaap een roodstuitzwaluw.

Ik lag op de zetel te dutten en wandelde in een droom op straat voor mijn ouderlijk huis. Het waaide. Ik was warm gekleed. Tussen de berken en boven het poortje van de ezelenwei vloog een roodstuitzwaluw. Ik probeerde hem te fotograferen met mijn roze toestelletje en was erg verbaasd dat ik hem op beeld kreeg - het was een blauw-oranje veeg. Een ijsvogel, kon je vermoeden, maar ik wist beter: een roodstuitzwaluw.

30.12.17

[De kleuren waren zoals gebruikelijk bij Brewster overwegend gedempt; de twee uitzonderingen daarop waren het staalblauwe touwtje, dat als een bliksemschicht dwars over het schilderij liep, en de zwarte schoenen van het kind, die donkerder waren, zwarter, dan vrijwel alles wat er in de zaal te zien was. (uit: Teju Cole Open stad. De Bezige Bij, 2012. p 52-53.)]

28.11.17

27.11.17

['Eén kermis, één tombola, één Paasfeest, één bioscoop, maar die is alleen op woensdagavond en zaterdagavond open, verder is er hier niets te doen... natuurlijk, er valt wel eens een boer van het dak, of de bliksem in een hooiberg, of een jongetje dat bij het hengelen te water raakt, zoals laatst, vorige maand nog, treurig, heel droevig...' De man wreef zijn gezicht of dit het enige middel was, waarmee hij de gedachte aan zulk een verdrietig ongeluk kon verdrijven. 'Ja, en wat aanrandingen hebben we de laatste paar maanden ook gehad, het is hier zo eenzaam... ze zijn nog met de naspeuringen bezig... we houden de kinderen steeds in groepjes bijeen, dat is verstandiger...' (uit: Gerard Reve Tien vrolijke verhalen. Veen, 1990. p 81.)]

11.11.17

[Onweer. bliksemflitsen, donderslagen, zoals het hoort in de bergen. (uit: Koos van Zomeren Alptraum. De Arbeiderspers, 2016. p 170.)]

4.11.17

[Terug bij de boerderij trof ik een zekere Van der Laan, zijn werkkiel blauw, zijn oren doorschijnend, zijn tanden bruin van uitgekauwde pruimtabak. Wel een halfuur stonden we te praten. Hij was 76 en had, kennelijk tot zijn genoegen, heel wat grote boeren naar de bliksem zien gaan. Verder verstond ik er niets van. (uit: Koos van Zomeren De bewoonde wereld. De Arbeiderspers, 1998. p 167.)]

18.10.17

[De witte tekeningen op de staart en vleugel zijn signalen bij gevaar: wanneer er een opvliegt, worden alle soortgenoten daardoor gewaarschuwd en kunnen bliksemsnel reageren. (uit: Lars Jonsson Wintervogels. Kosmos, 2016. p 322.)]

30.9.17

[Want berust niet de zeggingskracht van deze en andere woorden op het feit dat ze een diepere waarheid uitspreken waar iedereen onbewust weet van heeft, en die ze bliksemsnel laten oplichten? (uit: Ludwig Hohl Op weg door de nacht. Editie Leesmagazijn, 2017. p 55.)]

26.9.17

[De bliksems zijn het mooist. (uit: Richard Hemker Hoogmoed. Van Oorschot, 2016. p 9.)]

25.9.17