15.2.14

11.2.14

In het halletje van de coupé was iemand flauwgevallen. Collega's van de gevallen man brachten hem weer bij kennis, alsof ze zulks wel vaker meemaakten. Ik stond even op, wandelde naar het halletje en bood de helpers clementijnen aan, suikers. Die werden geweigerd. Ik wandelde weer terug en las verder in Koos Van Zomeren. Hij schreef over rotganzen.

Bij de rotganzen dacht ik aan Willem Barentsz.

6.2.14

Op de trein lees ik weer in Koos Van Zomeren. In 1979 was-i 33. Dat maakt hem ondertussen bijna 70, daar zit ik van te kijken. Ik onthoud dat ik een fragment vanop p 58 moet overtikken als voetnoot bij gisteren.

Wanneer ik thuis aankom, is het aanzienlijk later dan verwacht - personen op het spoor, verminderde snelheid. In de keuken vind ik lauwe pasta met witte kool, witte bonen, broccoli en een pepertje. Het smaakt heerlijk. Erbij mijn voorlaatste Westvleteren 8, vervaldatum 10.09.13.

Een dag later zal de kleine kat in de kattenbak kakken [regen], maar dat weet ik nu nog niet. [O jee, de tijden, de tijden. O jee.]

Momenten dat het regent krijgen structureel meer aandacht dan momenten dat het niet regent. In de wandeldagboeken van Voskuil lijkt het continu te regenen. Toen ik daar een keer een opmerking over maakte, zei Lousje: 'Maar het regende bijna nóóit.' (Bovendien: 'We zijn toch niet van peperkoek?')(uit: Koos Van Zomeren Naar de natuur. De Arbeiderspers, 2011. p 58.)

5.2.14

[Aanvankelijk is het een zachte meiregen, geleidelijk wordt hij gestager en harder. bliksem en donder. We bevinden ons juist op de kam. (uit: J.J. Voskuil Reisdagboek 1981. Gottmer, 2000. p 56.)]

2.2.14

[Eerst sloegen dikke druppels als gedesoriënteerde vogeltjes tegen de glazen pui aan, daarna werd het in rap tempo donkerder, zo donker dat we ons om vier uur 's middags in een maanloze nacht waanden, het gerommel in de lucht naderde als een rolkoffer door een smalle straat en uiteindelijk knalden zweepslagen bliksem het wolkendek recht boven ons diagonaal uit elkaar.(uit: Joost De Vries De republiek. Prometheus, 2013. p 121-122.)]

19.1.14

[Een van mijn eerste en tevens meest succesvolle was Bij de tandarts. Het enige attribuut was een stoel, waar ik op ging zitten als patiënt, en waar ik naast stond als de vreselijke tandarts, in bliksemsnelle rolwisseling. (uit: Herman Pieter De Boer & Betty Van Garrel Zalig zijn de schelen. AFdH, 2012. p 119.)]

11.1.14

[Het was een bliksemflits in een donkere nacht: verblindend maar niets verhelderend. (uit: A.L. Snijders (die Theodore Dalrymple citeert in) Bordeaux met ijs. Afdh, 2010. p 147.)]

[Hoor eens, jongeheer, u moet nu niet handtastelijk worden. Wat u me allemaal vertelt gaat me geen bliksem aan. (uit: Hans Fallada Wat nu, kleine man? Cossee, 2011. p 309.)]

1.1.14

[Toen Nailles die avond in bed lag dacht hij: hamer en spijker, groenten en fruit, peper en zout, olie en azijn, Romeo en Julia, blok en touw, donder en bliksem, koffie en thee, hom en kuit, ham en kaas, man en paard, kousen en schoenen, schroefjes en moertjes, waar en onwaar, scherp en bot, laarzen en sporen, snorkel en zwemvliezen, dik en dun, appels en peren, bruid en bruidegom, kat en hond, melk en suiker, tafel en stoel, pen en inkt, sterren en maan, slot en grendel, lachen en huilen, pappie en mammie, oorlog en vrede, hemel en hel, goed en kwaad, leven en dood, de dood en de belasting... Hij viel in slaap en begon te dromen. (uit: John Cheever Bullet Park. Van Gennep, 2013. p 58-59.)]