21.11.12

op 14 november 2012

Enkele nachten geleden zag ik in een droom een boerenzwaluw en een ransuil.

We zouden een groepswandeling maken en stonden verzameld op een parking te wachten. Jeugdvriend W zou onze gids zijn. Op de parking zag ik een wel heel erg late boerenzwaluw in de afrastering zitten, en even later vloog er een uil naar de holte in het boompje waar we bij stonden. Die uil leek niet op een specifieke uilensoort, maar ik besloot dat het een ransuil was en niets anders.

4.11.12

[Er is weinig wat hij nu kan doen - achter zijn staart aan zitten, naar de vissen in het aquarium kijken of drinken van het water, waarvan de teint steeds donkerder wordt, opschrikken bij een vreemd geluid, zich als door de bliksem getroffen op zijn zij laten vallen, de comfortabelste houding zoeken in de ruimte die door mijn lichaam wordt afgebakend op het textiel van de sofa in de woonkamer, of met geconcentreerde ogen de kleine neushoorn volgen die ik aan een touwtje heen en weer slinger alsof ik hem wil hypnotiseren - er is niets wat hij kan doen dat mij niet herinnert aan jouw vertederde reactie, en aan de manier waarop je erop stond dat ik naar Muisje kwam kijken. (uit: Christophe Van Gerrewey Op de hoogte. De Bezige Bij, 2012. p 30.)]

3.11.12

[Ook doorzochten ze de keukenkast, die voor de deur van het zijkamertje stond, daar gooide hij de hele bliksemse bende door elkaar. (uit: Jiří Weil Mendelssohn op het dak. Cossee, 2012. p 139.)]

30.10.12

[Vitaly telde niet meer mee, die had de bliksem in zijn kop gehad. (uit: Tommy Wieringa Dit zijn de namen. De Bezige Bij, 2012. p 255.)]

[Maar wat altijd blijft, is het onweer. Wat het precies is, weet ik niet, hoewel het me vaak is uitgelegd. De bliksem slaat niet zichtbaar in, maar treft met zijn onzichtbare vingers toch de aardlekschakelaars, we zitten in het donker. (uit: A.L. Snijders Brandnetels & verkeersborden. AFdH, 2012. p 176.)]

[Dat is het beste wat er is. Het werkt bliksemsnel. (uit: Jiří Weil Leven met de ster. Van Gennep, 2012. p 23.)]

29.10.12

de paden op

In het weekend voor allerheiligen reden W., P. en ik met de wagen door Zeeuws-Vlaanderen. We zagen een geoogst grafbloemenveld. Er lagen nog resten op het land, kluiten met chrysanten die onverkoopbaar waren, rood, geel, wit of paars. In de wagen maakten we grappen over het smelleken dat we zouden gaan zien. Ik had mijn rubberlaarzen aan. En ik had een thermos hete koffie meegenomen en drie kopjes van mijn trouwservies.

Mijn vrouw had me verteld dat ze op vrijdag in het centrum op de tram had staan wachten. Het was koud geweest, en er had een grijze vochtigheid tussen de straten gehangen. Een tram sneed de bocht om en door het raam had mijn vrouw een kind gezien dat verkleed was als een spook.

Zelf had ik in het koffiehuis aan haar verteld over het stoken vroeger. Dat we vroeger naast de tafel met de computer erop in de woonkamer een papiermand of papierdoos hadden en dat we die dan elke twee weken op het landje tussen het huis en het kanaal opstookten. Ik droeg dan al het papier en karton naar de stookplaats en stak alles daar aan met een lucifer en bleef staan wachten tot het opgebrand was.

Vlak voor we de grens overgingen, had W. nog getankt in Kieldrecht. Hij had vijftien euro te spenderen. Ik vind het mooi dat je voor je autoverplaatsingen een maximumbudget opstelt, maar de kwestie was onpoëtischer. Wat er ook van zij, nadat we het smelleken hadden gezien - wat kwam dat toch onverwacht en wat was het mooi en wat zat-ie stil en hoe was-ie daarna toch ongezien weer verdwenen - nadat we dat smelleken hadden gezien en weer in de stad aangekomen waren, was die vijftien euro er wel ongeveer weer door. P. en ik gaven W. elks vijf euro. Daarna gingen we taartjes eten.

22.10.12

op 22 juli 2012

20.10.12

Gisteren, vrijdag, zag ik in het Noordstation in Brussel een zangvogeltje met een pigmentafwijking. Het was helemaal wit en vloog zo'n halve meter boven spoor 10 naar het noorden. Ik had mijn verrekijker in mijn tas zitten, maar die haalde ik niet boven en evenmin rende ik het dier achterna. Er waren veel mensen op het perron, ook mijn collega's E. en N.

E. had de vogel ook gezien - dat kwam door mijn mimiek - maar haar enthousiasme was bescheidener dan het mijne. N. vertelde op de trein dat ze De verzopen katten en de Hollander niet uitgelezen heeft. Na twee verlengingen moest het pas half uitgelezen weer terug naar de bib. Later, ter hoogte van Mechelen, vroeg ze ook nog of ze mijn verrekijker eens mocht zien. Ze liet het obsceen klinken. Of ze liet het niet obsceen klinken, maar het klonk obsceen, dat alleszins.