16.5.09

[In de derde klas speelden we aan het eind van de gymles vijf minuten bliksembal. Iedereen moest zijn hemd en schoenen en sokken uittrekken. En dan wierp meneer Cloete de bal in de lucht boven de halfnaakte meute. De sukkel die hem ving moest daarna scoren in de verste basket. De rest moest hem afstoppen. Alles was toegestaan (behalve stompen of schoppen). Ik had jongens bloedend en onder de blauwe plekken en rood gestriemd eruit zien komen. Maar ik had nooit iemand gezien die de bal in de basket kreeg.
Het lukte Rem bij zijn eerste poging. Maar daarna mocht hij niet meer meedoen. (uit: Richard de Nooy Zes beetwonden en een tetanusprik. Nijgh & Van Ditmar, 2008. p 124.)]

15.5.09

Vannamiddag, in een droom, liep ik door een gebouw met ramen tot op de vloer. Buiten zat een kruisbek op de grond te scharrelen; een mannetje want oranje. Ik riep P erbij maar het dier was al snel achter een bewegend struikje verdwenen. Een distelvink vloog valk vlak voor de ruit voorbij.

14.5.09

in de zoo, begin april

[Eerder] Die nieuwste van Jan Van Mersbergen, Zo begint het, is – dat staat ondertussen vast – in geen enkele boekhandel in Gent of Brussel voorradig. Zijn weblog is er te ontvangen, dat nog net.

[Iets interessants over schrijversweblogs. Er zijn drie Nederlandstalige schrijvers van wie ik op dit moment met regelmaat het weblog lees: Jan Van Mersbergen, Gerbrand Bakker, Paul Baeten Gronda. Van twee van die schrijvers heb ik nog geen enkel boek gelezen. Van één alle boeken, behalve het laatste. Of van twee alle boeken, behalve het laatste. Ik zei het al: interessant!]

[Waarom die schrijversweblogs lezen? Jan Van Mersbergen heeft de interessantste overkokers, daders, mannen naast feesttenten met biertjes in de hand. Gerbrand Bakker schrijft wel eens over Tureluurs. Paul Baeten Gronda: geen idee.]

[De nieuwste van Tommy Wieringa, Caesarion, verschijningsdatum 15 mei, dat is morgen, ligt trouwens wel al in de Gentse winkels.]

[Eén foto maakte ik ooit zelf van een tureluur.]

13.5.09

zoo // blauwig glas

12.5.09

Vannacht, in een droom, zag ik een roodborsttapuit. Ik stond op een dorpsplein en hij zat op de nok van een oranje pannendak. Ik kan u wel vertellen dat dat een vreemde omgeving is voor een roodborsttapuit. Maar het was er zeker een, jawel. Even later was het vrouwtje er ook en zaten ze samen in de nog warme laagstaande zon, hun borsten warm opgloeiend.

Later die droom was ik in de tuin rond het huis van mijn ouders, aan de smalle strook aan de westkant van het huis. [Als ik van de tuin van mijn ouders droom, is het meestal van de hoek tussen de west-en de noordkant; wellicht betekent dat iets. Soms ook van het tuinhuisje en het akker- en graslandje erachter, dat dan wel steeds gigantisch groot lijkt. Vlak daarachter ligt een kanaal, maar daar kom ik zelden in mijn dromen.] In de beukenheg verdwenen twee ringmussen. Er was ook een vink en plots zat er een groenling te roepen in een struik amper twee meter voor mijn gezicht, en voor dat van mijn broer, want die was er ook. Er waren nog meer vogels in dat hoekje tuin, ik vond het zelfs een beetje overdreven, maar ik weet niet meer precies welke. Ik had in mijn droom nochtans gedacht: ik moet al deze waarnemingen heel goed onthouden. Tevergeefs. Ach.

[Nu gaan we thee drinken. En ik herinner me nog hoe ik eens onverwachts thuis kwam, terug van een lange reis - als een mannetje uit een Ici Paris tekening-, snakkend naar iets te drinken (de trein was stoffig, rook naar sigarettepeukjes en de binnenkant van oude damestassen) ik zeg: snakkend naar drank als een pastoor naar zijn brevier (nee, inderdaad, ik weet niets van het godsdienstig leven af), als een boer naar regen, en ik opende de kamerdeur en terwijl ik de deur opende, gebeurde er iets in de kamer, iets snels, iets krakerigs, zonder dat ik het zag of hoorde gebeuren, zoals je met je ogen dicht een bliksemflits kunt ondergaan, en het rook naar hooi en zweet en hij zat naast het bed natuurlijk, keurig op een stoel, fatsoenlijk op bezoek, een keurig manspersoon (ik wed dat hij ook advertenties plaatst in de kranten, huwelijk niet uitgesloten), en jij lag op bed met rode rozen in je wangen en een hand die je rok over je kniën schikte en een wezenloze welkomsglimlach van verrassing om je lippen. (uit: Remco Campert Thee drinken in Nacht op de kale dwerg. De Bezige Bij, 1965. p 98.)]

5.5.09

[Hij stopte de laatste tabak in zijn pijp, liep naar de boeg en stond daar zo lang met door de wind tranende ogen tot zich iets in de avondnevel aftekende, eerst doorzichtig en nog niet helemaal werkelijk, maar vervolgens steeds duidelijker, en de kapitein lachend antwoordde: nee, dit keer was het geen hersenschim en ook geen weerlicht, dat was Amerika. (uit: Daniel Kehlmann Het meten van de wereld. Querido, 2008. p 288-289.)]
Dat is voorwaar de laatste zin uit het boek. Een interessant boek. Bijwijlen hilarisch ook.

4.5.09

De whisky is op.

[Dat is nu eenmaal het dagelijks leven van de schrijver die genoeg heeft aan zijn eigen dromen. Andermans dromen kunnen boeiend zijn, maar blijven onbegrijpelijk en onvruchtbaar als legendes van buitenaardse wezens die op bliksembezoek zijn en door jetlag overmand uit de school gaan zitten klappen. (uit: Nanne Tepper De lijfbard van Knut de Verschrikkelijke. De Bezige Bij, 2008. p 69.)]
van Occy

[Nogmaals, breng hem aan het verstand, en liefst bliksemsnel, waar het om gaat. (uit: Luigi Pirandello Ieder zijn beurt. Hema, 1989. p 71.)]
van Occy