Prinses Clementinalaan, Warandestraat of Fazantstraat? Dat is de vraag van de dag..
19.6.04
7.6.04
We zijn vrijdag naar de IBBY-quiz geweest. We hebben vrijdag de IBBY-quiz gewonnen. Ik heb er een heerlijk maagdelijk boekje meegenomen om vol te schrijven met de ambetante dingen die helaas gedaan moeten worden. Zo houd ik het ambetante hier buiten. Weg hier met het ambetante. Leve de rest, bijvoorbeeld de IBBY-quiz.
>>
peren
>>
17:39
>>
0
reacties
3.6.04
sp.a-spirit staat ook deze verkiezingen achter mij - goed om weten natuurlijk - en ik mocht dan ook weer mee op het drukwerk. Na mijn boze mail van vorig jaar ben ik dit jaar wel verfotoshopt tot een vaagerd. Jaja bravo. Wat onthouden we dus uit hun campagne?
(a) sp.a-spirit geeft niet nodeloos geld uit aan nieuwe fotoreportages.
(b) sp.a-spirit houdt rekening met de wensen van 'de burger'.
Allemaal positief dus. Vandaar dat ze hier een link en op 13 juni een stem krijgen. Er zijn tegenwoordig trouwens weinig alternatieven, zo lijkt het.
>>
peren
>>
00:13
>>
0
reacties
2.6.04
P.C. Jersild: 'De ondas kloster'
Slechts twee boeken gekocht tijdens mijn laatste trip naar Stockholm: van Per Olov Sundman de novellenbundel Sökarna met daarin o.a. Diskaren, en – zoals gepland – van P.C. Jersild De ondas kloster. Dat laatste is al uit en ik ben er zeer over te spreken, hoera.
Jersilds roman valt uiteen in twee grote delen. Het eerste deel (Förra delen) speelt zich af rond het jaar 1200. Er wordt een beeld geschetst van de omgeving waar het Mälarmeer en de Oostzee samenkomen, van de omgeving die we nu kennen als Stockholm. In een documentairestijl (zonder één enkele dialoog trouwens) volgen we drie geestelijken die zich na enkele omzwervingen op de Stockholmse eilanden vestigen. Ze komen uit verschillende streken in Europa en belijden in stilzwijgen – want wie spreekt zegt zoveel domme dingen – een nieuwe vorm van het katholieke geloof. Hun geloofsbeleving is erop gericht om goed te doen zonder daar ook maar iets voor terug te verlangen, noch in het aardse leven, noch in wat daarna komt; ze willen de anderen helpen een plaats in het paradijs te verwerven zonder daar zelf aanspraak op te maken. Door hun mysterieuze zwijgzaamheid en hun uitstekende handvaardigheid verwerven de drie al gauw respect onder de andere bewoners van de streek en wanneer de monniken op miraculeuze wijze de stroming tussen de Stockholmse eilanden trotseren, worden ze als heilige mannen beschouwd. Al snel breidt de groep zich uit tot vijf leden en beginnen ze aan de bouw van een kloostergebouw op het eiland waar ze zich definitief vestigen, het eiland dat we nu kennen als Skeppsholmen. Na deze vertelling over landstreek en monniken, vertelt deel 1 in dezelfde documentairestijl ook nog de verhalen van de vijf jongens die na omzwervingen links en rechts door de monniken in hun gemeenschap opgenomen worden.
Op en tussen de regels van dit eerste deel schemert op enkele plaatsen subtiel een onrustwekkend gegeven door, een gegeven dat je echter snel uit het oog verliest. (Het kan natuurlijk zijn dat ik het subtiel vind doorschemeren omdat mijn Zweeds niet zo heel erg sterk is en ik over allerhande zaken heen lees. Dat kan. Natuurlijk.) Als je dit onopgehelderde gegeven in je hoofd houdt, blijf je na het eerste deel van het boek met een sinistere vraag zitten. Was het al van in het begin een boek om stevig in door te lezen, dan wordt het hierdoor nog erger.
In het tweede deel (Senare delen) komen we in de nabije toekomst terecht en volgen we een groep archeologen die na een brand archeologisch onderzoek verricht op Skeppsholmen. In een relaas in dagboekstijl volgen we hoe de wetenschappers de restanten van het in deel 1 gebouwde klooster opgraven. Dat is leuk voor ons want zo kunnen wij meevolgen hoe de onderzoekers geleidelijk aan ontdekken wat wij al wisten en wie weet krijgen we ook een antwoord op onze openstaande vragen over het onopgehelderde en onrustwekkende gegeven uit het eerste deel. Misschien zullen we ook kunnen zien (haha) hoe men uit de opgravingen foute interpretaties zal afleiden.
Onze verwachtingen worden geleidelijk aan ingevuld maar dan komt er een maar. Plots, en eigenlijk duurt dat vrij lang want ik liep al tegen bladzijde 200 van de 225 aan, beginnen we in te zien dat er, hoewel deel één en deel twee stilistisch erg verschillen, in de dagboekaantekeningen van de archeoloog tekstkenmerken opduiken die ook al in deel 1 behoorlijk opvielen. Kijken we bijvoorbeeld maar eens naar de volgende relativerende tussenzinnen; de eerste twee uit deel 1, de volgende twee uit deel 2:
p10: om man nu kunde kalla den ort eller marknadsplats
p11: om man nu kan kalla tolv man för en garnison
p199: om man kan kalla de så
p196: om det nu var en religion
Dit zijn slechts vier voorbeelden, maar er zijn er veel meer te vinden. We merken dat de schrijfstijl uit het tweede deel meer en meer op die uit het eerste deel gaat lijken. Naast deze stilistische ontdekking zien we ook hoe de archeoloog steeds hardnekkiger tracht de opgegraven voorwerpen te interpreteren en meer en meer verhalende speculaties gaat meegeven. Het vermoeden ontstaat hierdoor dat het eerste deel van het boek het interpretatieve werk van de archeoloog uit deel 2 is. Het 12e-eeuwse deel is dus niet de objectieve historische waarheid waar wij het voor hielden. Maar hola hola, wat is dan echt? Niets en alles natuurlijk want het is allemaal literatuur geschreven door een auteur, maar in de opgeroepen wereld, wat is daar echt? Niets, tenzij het dagboek in deel 2; de rest is meta-echt op een ander niveau. Als verhaal op zich zou deel 1 echt kunnen zijn, gekaderd in deel 2 is het een onbetrouwbaar verzinsel. Het 12e-eeuwse deel is dus niet de echte geschiedenis waaraan wij de speculaties van onze archeoloog kunnen toetsen; het is een opstelletje verzonnen aan de hand van de geringe bevindingen van diezelfde archeoloog. De schijnbaar alwetende documentaireverteller uit het eerste deel blijkt een beperkt en onbetrouwbaar personage uit het tweede deel.
We krijgen trouwens wel de gewilde invulling voor de onrustwekkende leemte, maar die invulling doet ons vooral de ware constructie van het boek inzien waardoor het ons duidelijk wordt dat ook dit niet noodzakelijk de ware toedracht is. Het is een hypothese, het is een constructie gebaseerd op erg weinig feiten en heel veel gissingen, net als het gehele eerste deel, geschreven door een personage uit het tweede deel. Het boek blijkt dan ook geen historische roman te zijn, maar een toekomstroman over de totstandkoming van een historisch verhaal, het verhaal uit deel 1. Jaja, en wij maar denken dat we onze archeoloog gingen kunnen betrappen op geestige foutieve interpretaties. Bij ons pietje, ja. Maar aangenaam bij ons pietje, dat wel. En nog eens stevig nagedacht over geschiedenis, waarheid en fictie bovendien. Sterk, en formidabel geconstrueerd. Nu alleen nog wachten op een vertaling naar het Nederlands.
P.C. Jersild De ondas kloster. Albert Boniers Förlag, 2003.
>>
peren
>>
08:29
>>
0
reacties
21.5.04
Het is nacht, mensen slapen. Straks vertrekken we naar Zaventem en Stockholm. Nu surf ik nog rond tussen recensies allerhande om te kijken welk boek ik daar kopen moet. Het zou wel eens De ondas kloster van P.C. Jersild kunnen worden. Mmm.
>>
peren
>>
00:57
>>
0
reacties
19.5.04
We kunnen er behoorlijk zeker van zijn dat er nooit nog zoveel materiaal op één dag op het perenblog terecht zal komen. Lang leve de doorstart..
>>
peren
>>
16:53
>>
0
reacties
Ferdinand Bordewijk: 'Rood Paleis'
Dit wordt een lovende tekst, beginnend met een citaat uit het naschrift van H. Brandt Cortius uit de Salamanderuitgave van 1993:
Elk woord in Rood Paleis is weloverwogen. Er is nooit een korter woord dat er net zo goed had kunnen staan. Elke naam is met zorg gekozen. Elke zin is geconstrueerd als een precisieslot. [...] Geen roman die zo snel veroudert als een historische roman. Maar Bordewijk schreef geen historische roman. Hij schreef zodat wij konden zien hoe hij schreef. [...]Bordewijk kende de eeuw. En hij kende de taal. Als de eeuw al lang vergeten is, zal zijn taal nog bestaan. Mevrouw Doom, haar bedrijf, de heren en de hoeren van het fin de siècle, het is allemaal weg. Maar Rood Paleis geeft als boek meer vreugde, en blijvende vreugde, dan welk bordeel ter wereld ook.
Overdrijft die man niet? Ik zeg u – overigens niet gehinderd door enige kennis van zake over welk bordeel ter wereld ook – dat die man niét overdrijft; Bordewijks geserreerde schrijfstijl in Rood Paleis is inderdaad één van de meest indrukwekkende die ik ooit tegenkwam. Indrukwekkend omdat je steeds, hoe vluchtig je ook leest, voelt dat de taal hier sterk is, en ook omdat dat gevoel nooit lastig wordt en de taal, hoewel ondertussen soms archaïsch, nooit stoort of vergezocht overkomt. Bordewijk gebruikt weinig woorden en loopt nooit breed uit, maar zegt met die weinige woorden meer dan wie ook, en creëert o.a. door zijn neologismen erg precies de meest duistere sferen. Rood Paleis is van gewapend beton. Tekst en zinnen zijn kort en gedrongen, maar efficiënt en niet kapot te krijgen. Bordewijk is de god der woordkeuze en zinsbouw. Het is weinig auteurs gegeven om architectuur boeiend te beschrijven en een wezenlijk deel te laten uitmaken van een verhaal. Bordewijk kan dat, hij slaagt er zelfs in het woord "lakbruin" een keer of 10 te gebruiken in samen een heerlijke zin of 10 zonder dat ook maar iemand zich eraan stoort. Integendeel.
Hier past een compleet willekeurige passage om aan te tonen dat de stijl echt overal ijzersterk is (het verhaal loopt tot p 176; laat ons een fragment precies halverwege kiezen: p 88 eerste alinea):
Na hun borrel – de vrouw een kop thee – gingen zij dan langs, Marie van Dam in het midden. Haar kleding was goed, provinciaals, fatsoenlijk, onelegant. Tijs zonder hinder van warmte beende pezig-nerveus, zij zette er dadelijk het tempo van de Achterhoek in, niet dat van het fin-de-siècle. Henri bevond zich naast deze zware passen een bijlopertje, gauw buiten adem.
En het blijft niet bij lofbetuigingen aan de stijl, ook inhoudelijk is dit boek wonderschoon. Zo speelt het in 1913, in de laatste dagen van het fin de siècle; een tijd die erg te smaken is in de boeken van bijvoorbeeld Strindberg en Söderberg – en dus ook in Bordewijks Rood Paleis. Het is een tijd van gekweld flaneren door de straten en boulevards van de grootstad. Het is een tijd van onstuimig opschietend onkruid tussen de traptreden van de statige burgerhuizen. Het is een tijd die in zijn decadentie zijn eigen verval en ondergang al met zich meedraagt. Wie macht heeft, heeft macht door geboorte of door een ander; vriendjespolitiek, geldzorgen en problemen met de liefde zijn alomtegenwoordig. Vaak ontbreekt daadkracht en overheersen slome doch poëtische gevoelens.
Het fin de siècle manifesteert zich in de roman enerzijds in Rood Paleis, als luxe-bordeel de decadente instelling bij uitstek, en anderzijds in de hoofdfiguur Henri Leroy. Deze Henri draagt alle kenmerken van de flanerende (anti-) held in zich: hij is traag, sloom, vermoeid, krachteloos – zelfs impotent – ligt te roken op divans en stelt zelden een echte daad maar denkt na; semi-filosofisch maar vooral niet te diep. Henri karakteriseert zichzelf als decor, een passief gegeven dat aanwezig is, maar meer ook niet.
Maar het fin de siècle dat 13 jaar na het eigenlijke einde van de eeuw nog steeds doorwerkt, loopt op zijn laatste benen. De oorlog komt eraan om als een louterende koorts de weg vrij te maken voor een nieuwe tijd, een tijd waarin nieuwe mensen het voor het zeggen zullen hebben. Het prototype van deze nieuwe mens is de tweede mannelijke hoofdrolspeler: Tijs Herdigein. In tegenstelling tot de heren uit het fin de siècle is Tijs een man van de daad die actie boven reflectie plaatst en onderneemt zonder twijfels. Het is dan ook geen toeval dat Tijs zich niet helemaal thuisvoelt in Rood Paleis, het zinnebeeld van de oude tijd, en dat hij er ook niet in slaagt om de handelingen in het bordeel passief te ondergaan zoals Henri. Neen, Tijs scheurt zich uiteindelijk los van Henri en springt resoluut de nieuwe eeuw in waar hij fortuin zal maken. Ook Henri – die de veranderingen aan ziet komen – tracht een daad te stellen, knipt zijn haren, scheert zijn snor en meldt zich aan bij het vreemdelingenlegioen, maar voor hem is er geen plaats meer in de nieuwe orde; Henri is en blijft een heer uit de uitdovende eeuw en zijn dood is daardoor even onvermijdelijk als de ondergang van die eeuw en het verdwijnen van de feestelijk decadente blok zonde die Rood Paleis is. Maar het boek blijft. Ja, het blijft. Blijvende vreugde.
Ferdinand Bordewijk Rood Paleis. Amsterdam: Em. Querido's Uitgeverij, Salamanderuitgave, 1993.
>>
peren
>>
16:44
>>
0
reacties
Tracy Chevalier: 'Meisje met de parel'
Er is een meisje met subtiele knopjes in de oren, en wiens literaire oordeel ik hoog acht, dat Meisje met de parel – in haar volksmond ook wel Girl with the earl pearring genoemd – geweldig vindt. Ik vind dat niet. Waarom toch, is de vraag. Waarom kan dit gelauwerde boek mij niet bekoren? Want een verklaring moet er zijn, voor men mij gaat verdenken van een opzettelijke tegendraadsheid die enkel en alleen bedoeld is om meisjes met subtiele knopjes in de oren te pesten.
Ik ga er al sinds mijn literaire bewustwording van uit dat vooral de stijl waarin een boek geschreven is voor mij van belang is bij de waardering van dat boek. Of een boek al dan niet goed is, is steeds in grote mate afhankelijk van de manier waarop de inhoud weergegeven wordt, terwijl die inhoud zelf er uiteindelijk minder toe doet. Het belang van de inhoud is natuurlijk niet helemaal nul, er zijn nu eenmaal onderwerpen die je niet of minder interesseren en die je waardeoordeel daardoor beïnvloeden, maar ik ga er toch van uit dat de specifieke stilistische behandeling van de inhoud veel belangrijker is. Je kan ongetwijfeld een verhaal van een stilistisch virtuoos als Gie Bogaert parafraseren (en daarbij de inhoud helemaal intact houden) en een echte klotetekst bekomen.
Andere, door anderen veelvuldig genoemde, factoren die een boek goed maken zoals herkenbaarheid, romantiek of – godbetert – de boodschap vond ik steeds van marginaal belang in hun status van afhankelijkheid van het inhoudelijke aspect. Neen – en dat is jammer voor alle schrijvers met grote bedoelingen – literatuur is in de allereerste plaats vorm. Een nadeeltje van dat vormgegeven is helaas dat het niet altijd een even duidelijk begrip is, dat het effect van uiterlijk makkelijk waarneembare vormen vaak iets ijls is, dat de vorm niet meer dan aanvoelens en moeilijk te verwoorden en concreet aan te tonen sferen en effecten veroorzaakt. Het is vaak moeilijker er zinvol over te praten dan over inhoudelijke zaken zoals "in het verhaal zit een beer en een circus en ik hou van beren en circussen, behalve als de circussen hun beren in te kleine kooien houden natuurlijk".
Maar nu concreet: wat is er zo mis met Tracy Chevaliers vorm in Meisje met de parel dat ervoor zorgt dat ik niet als een blok voor het boek val? Na het herlezen van enkele fragmenten denk ik dat het vooral vertelperspectief en focalisering zijn die het boek voor mij onaantrekkelijk maken. We zien het verhaal door de ogen van het dienstmeisje Griet; we weten enkel wat zij hoort, ziet, voelt, ... en het is Griet die ons in de ik-vorm en in de onvoltooid verleden tijd haar verhaal vertelt. Op zich heb ik geen probleem met personale vertelperspectieven in de verleden tijd of wat dan ook, maar hier gebeurt er toch iets onaangenaams.
Het leuke aan personale vertelperspectieven is normaalgezien dat je gegevensinstroom begrensd is omdat je dezelfde beperkte kijk op de gebeurtenissen krijgt als het vertellende personage; er zijn zaken die noodgedwongen duister blijven omdat ook de verteller ze niet weet. Zoals het ook gaat in het leven kortom: we kennen onszelf en onze situatie een beetje en over al de rest hebben we louter vermoedens. Hier wringt het mijns inziens echter bij Meisje met de parel. Griet geeft namelijk blijk van een onfeilbaar inschattingsvermogen van mensen en situaties en ze slaagt er keer op keer in om perfect te duiden wat de andere personen bedoelen met elke zucht die ze slaken en met elke wenkbrauw die kort beweegt. Griet lijkt van alles op de hoogte en Griets beperkte perspectief neigt op die manier naar een alwetend perspectief. Door zijn interpretatieve overvloedigheid staat Meisje met de parel dus lijnrecht tegenover de door mij bewonderde boeken van Gie Bogaert of de nouveau-romans van bijvoorbeeld Per Olov Sundman die uitgaan van de onmogelijkheid om zichzelf en zeker anderen echt te kennen. Onzekerheid heerst daar en verklaringen kunnen zelden gegeven worden; in Meisje met de parel gebeurt net het tegenovergestelde.
Gaat Chevalier hier, door Griets neiging naar alwetendheid, dan in tegen één van de essenties van het door haar gekozen personale vertelperspectief, en is het dus die stilistische 'onvolmaaktheid' die mij stoort? Het antwoord is misschien ja. Ik zeg misschien omdat er misschien nog een andere, minder puur stilistische, reden te vinden is. Want beeld je eens in dat die Griet, als vrouw van de wereld, echt zo opmerkzaam is en er, erger nog, van overtuigd is dat ze voortdurend zeker kan zijn van haar interpretaties. Mensen als Barbara en Alan Pease gaan er alvast (heel) populair-wetenschappelijk van uit dat vrouwen dat – in tegenstelling tot mannen – zijn. Ook Johannes Vermeer laat in het boek een ballonnetje in die richting op wanneer hij op bladzijde 197 zegt: "Ik weet nooit wat jij denkt, Griet", daarbij ook suggererend dat zij blijkbaar wél steeds de gevoelens van anderen kan peilen. Als Griet echt zo'n opmerkzame dame is, kunnen we natuurlijk niets inbrengen tegen Chevaliers perspectiefgebruik. Ligt mijn negatievere stilistische oordeel dan misschien aan het feit dat ik mijzelf niet kan identificieren met deze vrouwelijke oerkenmerken? Heeft mijn afwijzen dus te maken met het inhoudelijke gegeven dat Griets interpretatieve vaardigheden en haar zelfzekerheid niet herkenbaar zijn voor mij, in mijn hoedanigheid van man. Dat zou dan betekenen dat mijn stilistische ergernissen ontstonden door mijn eigen sociale beperktheden die blijkbaar in de vorm van het afwijzen van inhoudelijk onherkenbare toestanden doorwerken in mijn poëticale opvattingen. Stort er dus weer een deeltje van mijn literaire wereldbeeld in door de factor herkenbaarheid toch zo'n grote invloed te moeten toekennen? Chevalier is zich in haar boek trouwens ook bewust van het belang van herkenbaarheid; zo schrijft ze op bladzijde 166 dat Cornelia Catharina's favoriete dochter was "omdat ze in geaardheid het meest op haar leek."
Feit is volgens mij alleszins dat ofwel het vertelperspectief slecht wordt toegepast ofwel dat ik mij niet kan identificeren met de kenmerken van het hoofdpersonage, waardoor het vertelperspectief ongeloofwaardig en storend overkomt en ik geregeld de neiging krijg te roepen :"En hoe weet jij dat, bitch! Heeft ze je dat verteld of wat?" Maar nu overdrijf ik natuurlijk want een slecht boek is het ook zeker niet, en aangezien een schrijver natuurlijk nooit stilistische fouten maakt, zal de tweede reden die ik zonet opgaf wel de correcte zijn; de oorzaak van mijn mindere waardering ligt in mijn Y-chromosoom dat herkenning en identificatie bemoeilijkt.
Tot zover de voornaamste bron van ergernis. Maar één klein en veel minder fundamenteel ergernisje moet mij nog van het hart, namelijk het steeds weer op de grond vallen van messen. Normaalgezien hou ik wel van herhalingen en parallellen, maar om de een of andere onduidelijke reden werkt het hier dus niet (misschien omdat het perspectief al tot prikkelingen leidt, wie weet), net zoals het bij Edward Van de Vendels De dagen van de bluegrassliefde stoort dat er steeds weer beschreven moet worden hoe afgeworpen kleding exact op de grond ligt, en net zoals Aleksandar Hemon in De Pronek-fantasieën beter al na de eerste keer gestopt was met het maken van vergelijkingen met daarin vliegen en kettingzagen.
Maar hej, dames: lees het boek zelf eens, en heren: ga lekker naar de film met Scarlett Johansson – waar de laag van de vertellertekst wegvalt. Ieder geslacht zijn medium, iedereen gelukkig.
Tracy Chevalier Meisje met de parel. 's- Gravenhage: BZZTôH, 2002.
>>
peren
>>
16:37
>>
1 reacties
Kader Abdolah: 'De adelaars'
Zoals dat hoort voor iemand met een boekenrek, was ik in het weekeinde voor Kerstmis 2003 op het Boekenfestijn in Flanders Expo. En ik deed wat ik doen moest: alle boeken die ik het voorbije jaar kopen wou, maar toen te duur vond, in mijn karretje laden en voor een heel zacht prijsje meenemen. Rustig nieuwe dingen ontdekken moet je maar tijdens de rest van het jaar in de boekenwinkel, in de bibliotheek, in de krant, of zelfs - waarom niet - op de boekenbeurs doen; hier komt het er enkel op aan de massa boeken te scannen op bekende en gewilde namen, boeken mee te nemen, te betalen en glimlachend op de bus naar huis te zitten.
'Hoe doen ze het toch, die lage prijzen?' vraagt een mens zich dan af. Het grootschalige van de operatie en de besparing op inkleding en promotie verklaren waarschijnlijk al heel wat. Maar er is meer. Op de Boekenfestijn-website zeggen ze het zo: Soms hebben de boeken een ezelsoor of zijn licht beschadigd. Of het betreft een voorlaatste druk. Maar wie gaat zitten kniezen over een ezelsoor, als je alle zachte prijzen ziet? Kortingen tot 50 en 60% zijn heel gewoon en soms loopt een korting zelfs op tot 90%!
En ze hebben verdorie gelijk! Wie kniest er over een enzelsoor of een voorlaatste druk als je de kortingen bekijkt? Niemand, denk ik, ook ik niet.
Maar wanneer blijkt dat een voorlaatste druk inhoudt dat er op een boek van 110 bladzijden 32 bladzijden ontbreken (dat is 29%) en er in de plaats 34 andere 2 maal gedrukt zijn, zou meneer Boekenfestijn er misschien toch eens over kunnen nadenken om dat boek toch maar niet te verkopen als zijnde een volledig boek. Want ook al kostte De adelaars van Kader Abdolah maar 4 euro 95 cent op die beurs, toch voel ik me misschien wel bestolen van twee halve en één heel kortverhaal (afgerond dus van 3 kortverhalen die samen 52 bladzijden vullen en dus 47% van de bladzijden van het boek uitmaken). Ik heb dit boek nu immers niet gekocht aan een korting van 50 of 60, laat staan 90%, maar heb voor dit boek nu 4 euro en 95 cent extra betaald bovenop de prijs van het nieuwe exemplaar dat ik ervan kopen zal. En ik ben natuurlijk niet zo gewetenloos om het 'halve' exemplaar in De Slegte als een volledig door te gaan verkopen. Ja, meneer Boekenfestijn, er is misschien toch iets voor te zeggen om dit boek niet als een volledige versie te gaan verkopen. Wat is de volgende stap? De proefdruk van de cover als volledig boek voorstellen?
Ik hoop nu natuurlijk dat zulke gebreken enkel bij De adelaars voorvallen, maar misschien houdt het daar niet mee op en moet ik me ook bij andere boeken dingen gaan afvragen. Want wie weet is Kleine Sofie en Lange Wapper eigenlijk toch geen vreselijk boek, maar is het gewoon in voorlaatste druk op het Boekenfestijn gekocht. De aarde davert, zekerheden storten in. En dat allemaal door een evenement dat we zo toejuichen.
Kader Abdolah De adelaars. Breda: De Geus, 2000 (vierde druk).
Update augustus 2008:
Genoeg gezeurd. Er verjaart iets bij uitgeverij De Geus en De adelaars wordt samen met De meisjes en de partizanen goedkoop en erg mooi heruitgegeven. Rode wijn en andere verhalen heet het. Er staat een fierljepper op de cover.
Kopen. Herlezen.
>>
peren
>>
16:30
>>
0
reacties
Ward Ruyslinck: 'De bovenste trede'
De bovenste trede vertelt het verhaal van de 63-jarige docent en weduwnaar Lucas Provoost, een kamergeleerde die een teruggetrokken leven leidt en zich bijna uitsluitend wijdt aan het schrijven van een essay over manieren van sterven. Fragmenten van dit essay (over de manier waarop verschillende beroemde en anonieme personen aan hun eind kwamen) wisselen in dit rond de universele bestaansvragen opgebouwde boek af met Lucas' obsessionele perspectieven omtrent zijn eigen toekomstige manier van sterven ('niet het wanneer, maar het hoe'). Dankzij een romance met zijn Roemeense bovenbuurvrouw blijft Provoost echter hartstochtelijk verbonden met de zintuiglijke werkelijkheid en krijgt zijn levensdrift telkens weer nieuwe impulsen. Zowel het leven als de dood misleiden ons met illusies, zo lijkt het wel.
U denkt (ik denk voor u): Hej, dit lijkt wel een achterflaptekst. En inderdaad, u hebt gelijk: het is de achterflaptekst. U denkt (ik denk met u): Maar hej, staat dat hier nu fout overgetypt of hoe zit dat? De Roemeense dame woont toch ónder en niet bóven Provoost. En inderdaad, u hebt gelijk: Lucas woont op de tweede verdieping, de Roemeense op de eerste. De bovenste trede uit de titel is de laatste trede naar zijn appartement; de trede waarop Lucas, zo verwacht hij, ooit zal sterven aan een hartaanval na de vermoeiende klim naar boven – een klim die hij steevast even onderbreekt op de eerste verdieping, voor de deur van de Roemeense Ana. Maar toch staat er op de achterflap "bovenbuurvrouw".
Een vreemde fout. Er zitten immers voldoende beklimmingen in het boek, en je hoopt toch dat de redacteur die deze tekst schreef het verhaal op zijn minst eerst eens doorgelezen had, en bovendien stelt Lucas zijn (jongere) onderbuurvrouw op een bepaald moment zelfs voor om van appartement te wisselen om de beklimming voor hem minder lang te maken. Stel je voor dat je de persoon bent die deze flaptekst schreef; eeuwige schaamte was je deel, want geef toe: het is belachelijk, slordig, vermijdbaar, en het stoort. Ik denk steeds weer dat je wanneer je een boek maakt, trots wil zijn op het resultaat, en dat je wil dat de dingen dan kloppen. Je wil dus niet dat er - zoals in Guus Kuijers Boek van alle dingen - een prent van een man met weelderige haardos staat naast de tekst "Zijn haar was wit en zijn kruin was kaal", en je wil niet dat er – zoals in Ed Francks Zie ik je nog eens terug? - een meisje met losse lange haren op een prent staat wanneer haar haar al in de vorige scène gevlochten werd. En je wil niet dat er "bovenbuurvrouw" staat wanneer er "onderbuurvrouw" moet staan. Het zijn allemaal kleine dingen, maar je wil het niet.
Maar terug naar de achterflap. Na de hierboven geciteerde tekst staan er ook nog twee stukjes uit recensies over een ander boek van Ward Ruyslinck, Het geboortehuis. Beide fragmenten prijzen Het geboortehuis om zijn "verrassende ontknoping" in de stijl van Roald Dahl. Ook in de keuze van net deze recensiefragmenten zijn de flapmakers minder gelukkig; het kan immers best zijn dat Het geboortehuis geweldig eindigt - ik zal het eens lezen - maar om dan net met dat lof te zwaaien op de flap van een boek met een zo ontgoochelend einde als De bovenste trede maakt de flap wel bijna cynisch – haha, nu hebben we u bij uw pietje hé, jij die dacht ook hier een leuk einde te mogen verwachten. Want inderdaad, lees dit boek niet om een origineel einde. Je vermoedt dat het verhaal zal eindigen met de dood van Provoost en deze zal, zo denk je al lezend, ofwel inderdaad ongeveer zijn zoals hij zich zijn dood voorstelde, ofwel een onverwacht ongelukje worden. Maar het valt tegen: het is niet de oorspronkelijk verwachte dood, ook geen plots ongelukje, maar een saai en te nadrukkelijk voorbereid ongelukje. In zekere zin dus wel onverwacht, maar allerminst blij onverwacht of geslaagd. Het is mogelijk dat de auteur dat wou, dat het de bedoeling van Ruyslinck was dat iedereen behalve zijn hoofdpersonage zelf exact zou voorzien hoe Provoost zich naar zijn einde toewerkt. Maar de boom in met de bedoeling van de auteur want het werkt niet..
Dus: de flapteksten en het einde zijn ontgoochelend. Maar het moet niet al geklaag zijn want wie de flap negeert en na bladzijde 123 stopt met lezen en zo een mooi open einde voor zichzelf creëert, krijgt een vlot geschreven verhaal vol met amusante anekdoten over grote en kleine sterfgevallen. Soms lijkt het door de verwijzingen naar overleden schrijvers of de letteren op Brouwerse wijze zachtjes knetteren, en je wil voortdurend de ontdekte weetjes delen met je lief, zoals bijvoorbeeld bij het geval Stig Dagerman – mijnheer De Witte – mevrouw De Witte. Ruyslinck heeft zijn research gedaan en dat maakt het tot een aardig tussendoortje vol 'leuke' gevalletjes. Niet meer dan dat, maar ook niet minder. Mensen die sterven willen, vinden hier allicht inspiratie over het 'hoe'.
Ward Ruyslinck De bovenste trede. Antwerpen: Manteau, 1997.
>>
peren
>>
16:22
>>
0
reacties