All we need is lightning
With power and might
(Lordi: Hard Rock Hallelujah)
21.5.06
>>
peren
>>
00:13
>>
0
reacties
19.5.06
mijn IVAC en ik
Steeds weer word ik kort wakker wanneer de verpleger – hij heeft pleisters over zijn neusbrug – mijn volumetrische pomp controleert. Volle snelheid nu, zegt hij. De display geeft 125 milliliter per uur aan. Ik luister naar het voortdurend onderbroken zoemen. Hij leeft, denk ik, mijn pomp, mijn IVAC 598, hij ademt, hij leeft.
In de kamer zijn verder vier dames. Ook zij ademen, maar ze hebben geen pomp. Opgeteld zijn ze zo'n 260 jaar oud; samen gaan ze terug tot de geboorte van Hiëronymus van Alphen. Dat is heel wat, dat maakt mij een broekie.
Met afgunst kijken de dames naar mijn pomp, ik zie het wel. Ze snuiven wanneer hij piept [P2.1 bijvoorbeeld], ze storen zich eraan, ze zijn jaloers. We merken het wel, IVAC en ik, en telkens weer glijden hun ogen zijn richting uit wanneer ze spreken [Peekes, da bleft in maan kaal hange].
We gaan samen een chocoladedrank halen, mijn IVAC en ik. We stoppen oordoppen in onze oren en lezen een boek over Siberië. Stilletjes vertel ik hem over de twee groenlingen voor de ruit gisteravond. We zijn de beste vrienden. Dames deren ons niet.
De verpleger – u kent zijn neus – ontmantelt na vier en een half uur mijn IVAC. Ik zeg bedankt voor de zorgen. Goed weekend en ook: dag IVAC. Tot de volgende keer, murmel ik nog naar de dames, ik moet naar huis. Stofzuigen.
De volgende keer zullen ze samengeteld 261 jaar oud zijn. Stel je voor: de conceptie van Hiëronymus.
>>
peren
>>
15:44
>>
0
reacties
13.5.06
België evolueert naar een perenland
Nee, zoiets verzin ik niet, nee, ik knip en plak het gewoon uit De Morgen. Nog eens: België evolueert naar een perenland.
Rijst de vraag: is dat goed of slecht nieuws?
>>
peren
>>
00:02
>>
0
reacties
12.5.06
Het geluid zwol aan. Ver weg was bliksem zonder donder, toen was het in één klap donker. (uit: Tommy Wieringa Ik was nooit in Isfahaan. Amsterdam: De bezige bij, 2006. p 13)
Ik ga per bus naar Harar, zestig kilometer de bergen in. Een skyline van minaretten kondigt de op drie na heiligste stad van de islam van veraf aan. Daarachter bliksemt het, de regentijd is begonnen. (uit: Tommy Wieringa Ik was nooit in Isfahaan. Amsterdam: De bezige bij, 2006. p 89)
>>
peren
>>
21:29
>>
0
reacties
2.5.06
Doordat 1 mei op een maandag viel en liefs lesgever ziek was, had ik bijna een hele week vakantie. Zo komt het dat ik fijn doorlezen kon en vanavond mijn vijfhonderdste "gedocumenteerde" boek dichtsloeg. En wat voor een boek: Negen open armen van Benny Lindelauf. Eten zou ik ze niet willen geven, alle sjiethoezer die zich door de drie namen uit de eerste alinea van het boek lieten afschrikken, maar medelijden heb ik wel met ze. Want: wat een heerlijk boek. Familiewarmte als uit een potkachel. Beelden, wendingen om lang te onthouden. Veel onweer rond onze oren en welgeteld één bliksem.
Sjar. Net twaalf en het verkeerd overgebleven kind van Lame Krit. Drie oudere zoons en Lames vrouw waren omgekomen bij de grote stadsbrand van 1861 die was veroorzaakt door een blikseminslag. De meubelmakerij was helemaal afgebrand. (uit: Benny Lindelauf Negen open armen. Amsterdam|Antwerpen: Querido, 2004. p 129)[Lindelauf is zo iemand die ervan overtuigd is dat je schrijven kan leren, dat hij het zelf ook leerde. Nu geeft hij cursussen. Dat zijn studenten maar goed luisteren.]
[Zelf ben ik natuurlijk ook een sjiethoes, maar ik heb een lief vol tips dat weet wat goed voor me is. Dank, lief, daarvoor.]
[Nu ja, geen complete sjiethoes natuurlijk. Natuurlijk.]
>>
peren
>>
22:18
>>
0
reacties
30.4.06
22.4.06
Het is zaterdagavond. Ik kom met enig correctiewerk en een boek om in te schrijven een café binnen.
Ooit haalde ik in dit café een rode sticker van een boek met een felroze kaft. Dat was op vraag van twee (felroze) cafégangers die de sticker als een doorn in hun esthetisch oog zagen. Ze kregen hem toen van mij – wat kon ik doen met een rode sticker? Vanavond zitten ze er opnieuw, ze knikken me toe. Ik knipoog. Ja, zo ben ik wel.
Ik kies een tafel, proef mijn Westmalle dubbel en krijg er voor de eerste keer in maanden weer borrelnootjes bij. Danku, zeg ik. De muziek is van Bram Vermeulen. Het kan niet stuk, wat een geluk, zegt hij.
Ik corrigeer een en ander, maar niet te veel ineens; het blijft toch zaterdagavond. Ik denk aan Vdb. Een believer ben ik al lang niet meer, maar hopen doe ik nog wel. Als Sporza over hem bericht dat hij "last [heeft] van een griepje", verdenk ik ze van ironie. Als Het Nieuwsblad schrijft dat de koorts "door twee dokters [werd] vastgesteld", hoor ik de redactie op de achtergrond lachen. Maakt het me triest? Misschien. Het is een wedstrijd die niemand winnen kan, zegt Bram Vermeulen. Had Unibetpuntcom maar een wildcard voor de Giro, droom ik.
Ik denk aan mensen die ik zag vandaag en aan wat ze zeiden: Martin Heylen vanmiddag in de groene boekenwinkel. Vertel mij wat, zei hij tegen mij. Ik zal het hem zeggen, zei hij tegen iemand anders. Iemand citeerde Elsschot. Onderweg naar huis blokkeerde Pieter Gaudesaboos het fietspad. Pas op, zei de vrouw die bij hem was. Pieter ging opzij, ik zei: merci. Net, iemand aan de tafel hiernaast: Bij de KBC hebben ze veel geld, maar ze zijn veel kleiner dan wij.
Soms, als er een vrouw langsloopt, zo besef ik nu, probeer ik heel bewust te ruiken. Het is als de twee felroze heren en hun knikken. Maar dan anders. Natuurlijk. Anders. Mijn correctiewerk is ondertussen gebeurd. Ik ben daar zeer tevreden over. Bram Vermeulen is inmiddels salsa geworden en zodadelijk komt mijn lief hiernaartoe. Ik ben zeer tevreden. Damiano Cunego zal dat morgenavond ook zijn.
>>
peren
>>
23:34
>>
0
reacties
15.4.06
[Ver weg weerlichtte het; de donder boven zee werd in de stad als een licht gerommel gehoord. (uit: Tommy Wieringa Alles over Tristan. Amsterdam: De bezige bij, 2002. p 7)]
[Het was alsof de bliksem insloeg tussen mijn ogen. (uit: Tommy Wieringa Alles over Tristan. Amsterdam: De bezige bij, 2002. p 96)]
>>
peren
>>
13:08
>>
0
reacties
[nee gaan geluid maar ik hoor de deur bewegen die enge deur draait een beetje open een hand een klauw ik kan het niet goed zien tussen deur en deurstijl ik moet hier als de bliksem weg (uit: Kristina Wiedeman Schaduwen. Amsterdam|Hasselt: Afijn, 2002.)]
>>
peren
>>
13:05
>>
0
reacties
13.4.06
Amsterdam
Het was in Amsterdam dat de lente begon. Twee dagen na Reves dood verscheen het lentenummer – nummer 90 – van De Brakke Hond. Dat dat een belangrijk nummer is hoeft weinig betoog want er staat een verhaal in dat ik schreef.
We kochten dus De Brakke Hond, lief en ik. We deden dat in De Brakke Grond en droegen hem verder de hele namiddag en avond in een tasje bij ons. Tussendoor citeerde lief Reve (Wat hebben we toen gelachen met die zeehond), en maakte ik daar foto's van. We dronken bier, thee en koffie, zagen een en ander van Rembrandt en Vermeer, van parkieten, futen, en meerkoeten. We aten noten. We praatten over spelling in het straatbeeld. Ik kocht nog maar eens een Rood Paleis en wees lief gebouwen aan waar iemand als Bordewijk over zou kunnen schrijven. We aten noten, we knipoogden naar Hafid Bouazza, we waren in Amsterdam.
Thuisgekomen zat De Brakke Hond natuurlijk ook gewoon in de brievenbus. Dat het een "prachtig[e] nummer" is, stond op een begeleidend briefje. Thuisgekomen was ook nog geen enkel Amsterdams boek helemaal uit, maar een citaat was er al wel:
Hij stapte d'r fijn op los. Desnoods kon het pikdonker worden, dát-ie geen hand voor oogen zien kon, en stormen gaan, dat de boomen omver waaiden. Hij zou d'r doodeenvoudig overheen stappen. Dwars het bosch door. De wind loeide, overal kraakten de takken, de regen striemde hem in z'n gezicht, hij zette z'n tocht voort. Het begon te onweeren desnoods; hij bleef kalm, al sloeg de bliksem vlak naast 'em in. (uit: Theo Thijssen Kees de jongen. Antwerpen: Het kompas, 1946. p 187)Thuisgekomen, dat is nu.
>>
peren
>>
23:18
>>
0
reacties
