4.7.05

zondag blaarmeersendag

Er zwommen futen en kikkers, men verkocht er ijs. Mensen zaten, hingen en zwommen, gooiden met peuken en dronken bier. Mensen fietsten over onverharde paden, een hond zat met zijn leiband vast aan een paal. Ik keek er naar konijnen, futen en kikkers. Ik kocht er ijs. Op de achtergrond zag ik zeven treinen.

1.7.05

August Vermeylen: 'De wandelende jood'

Ik las De wandelende jood (1906) van August Vermeylen. Dat kwam zo: er zat/zit een stigmatum in mijn rechterhand en ik zou een uur of vijf ononderbroken in één en hetzelfde, afgesloten, lokaal doorbrengen. Met die combinatie weet je het natuurlijk wel, dan lees je ofwel De wandelende jood van Vermeylen ofwel Barabbas van Lagerkvist. Zijn mooie gele kaft maakte dat het De wandelende jood werd.

Na een bladzijde of vijf in het boek wist ik gewoon dat ik een proeve tot vitalistisch gedicht moest schrijven die hoofdzakelijk opgebouwd was uit woorden, wendingen en frasen uit De wandelende jood. Dat wist ik. Dat moest. Eergisterennacht voltooide ik een eerste versie. Ziehier. [Bij voorkeur met strenge blik luidop te lezen.]

Stoeit gij snotbengels door honden bebast
en smoust en sjoefelt en doet.

Klabbettert gij wijven in den vriezigen nacht
en sjoefelt en duivelt en doet.

Het poezele wonder van gestamp en gebries
van bronst en zeerdoend genot.
In hoekskens en kantjes bij volders en wevers
't mensdom voor hesp verkocht.

Kokkerult.

Ook Pontius Pilatus - met ronden rug -
hij sjoefelt en duivelt en doet.

Een titel komt later nog. Maar genoeg proeve tot vitalisme nu, het bliksemarchief dient aangevuld:
Hij volgde met den blik een leeuwerik die zingend rees en rees in de lucht, zo hoog dat hij in de stralende ruimte verdween. "Hij zal weldra toch terug naar den grond moeten!" Lachte Ahasverus. Zo vlogen ook zijn gedachten, maar ze waren als blinde vogels die naar het licht stegen, om dan, bebliksemd door eigen wanhoop, draaiend op verbrande vleugels weer in de duisternis neer te tuimelen. (uit: August Vermeylen De wandelende jood. Deurne: Unieboek, 1974. p 66-67.)
August Vermeylen De wandelende jood. Deurne: Unieboek, 1974.

27.6.05

Als het in het enkelvoud bestaat, dan heb ik het: een stigmatum. Ik heb een stigmatum. In mijn rechterhandpalm heb ik sinds vannamiddag een stigmatum. En alsof dat nog niet genoeg is vallen er ook zomaar stukken tand uit mijn mond. Het wakende leven is niet eenvoudig voor een messias, ja, dat staat vast.

[Z. zei onlangs wel 'La vie, c'est facile', maar Z. komt uit Kameroen en daar is men blij katholiek en eet men maniok, dus dat is anders. Bovendien had hij toen zijn examenuitslagen nog niet gezien.] [Mais revenons à nos moutons.]

Ik heb een stigmatum en te weinig tand en een vloer vol statistieken, papier en twee CD-roms. Een rekenmachine, excel-bladen, viltstiften en een wekker om 7:15u. Ik heb potverdrie plots ook rekeningen die eergisteren betaald moesten zijn en andere voor overmorgen. Ik heb geen slaap, maar morgen wel, in de schaduw van de basiliek, en als ik dan denken zal aan een wasmachine met 1600 toeren zal ik snurken als nooit tevoren. A. zal dan zeggen excuseer meneer, probleem, en ik zal antwoorden dat is niet erg, ik kom wel even. Een messias, dat zal ik zijn. Ik zal me over zijn schouder buigen en zeggen er viel een tand uit mijn mond gisterenmiddag en A. zal mij aankijken en knikken en er geen woord van begrijpen. A. zal zeggen ik ben ziek. Ik zal zeggen maar je moet proberen. Je moet proberen.

25.6.05

De conducteur had het armbandje van Rock Werchter 2004 nog aan zijn pols hangen. Beik, dacht ik, en: viezerik. Ook: hangen er dan na volgend weekend twee daar of verdwijnt het oude in de vuilnisbak? Of in het plakboek? Of misschien moet hij wel werken, kan hij daardoor niet gaan; wellicht moet een oude oma bezocht in de kliniek. En ja, hij werd zelf natuurlijk ook alweer een jaar ouder.
Hij knipte mijn kaartje. Ik zei bedankt.

24.6.05

Dit ska vi, för en riktig glad midsommar.

weerlicht is ook bliksem

Het donderde en weerlichtte, de regen viel zwaar uit de hemel.
[...]
Weer klonken er donderslagen. Bliksem. Regen. Misschien moest de sonnettenkrans wel zo beginnen, dacht Broer: met een eenzame, half krankzinnige zanger, al dan niet te paard, op een verlaten vlakte, schreeuwend tegen de elementen, de natuur zelf uitdagend. (uit: Aat Ceelen Aan mijn vrouw. Antwerpen/ Amsterdam: L.J. Veen, 2005. p 90-91)
Iets over het boek zeggen ook? Nu we de man toch aan het woord hebben kunnen we dat wel net zo goed aan hemzelf overlaten Een recenserend citaat [hij zal het waarschijnlijk wel zo gewild hebben]:
"Het had kop noch kloten, zin zat er ook niet in, en van drama was geen sprake." (uit: Aat Ceelen Aan mijn vrouw. Antwerpen/ Amsterdam: L.J. Veen, 2005. p 97)
Dat laatste bespaart mij alleszins het vuile werk; het laat mij de positieve noot (de sol, meestal). De regels over Turken met machtige kromzwaarden waren de beste regels over Turken met machtige kromzwaarden in lange tijd. (tiens: re re la)

21.6.05

Ik was blij dat ik na de winter mijn sjaal en muts niet uit mijn tas gehaald had. Fucking 18 graden in de trein gisteren. Brr.

19.6.05

Aat Ceelen: 'Het kanaal'

Vrijdagnamiddag kocht ik Het kanaal van Aat Ceelen in de Slegte. Na tweeëneenhalve zin wist ik het al: deze koop ik.

Betty zag het gevaar eerst. Vlak daarna zag ik het ook; ik zag het in haar ogen.
Bovendien vond ik de kaft leuke kleurtjes hebben, en wat is nu 3 euro 50 tegenwoordig? De eerste hoofdstukken daarna bleven ook erg leuk: duister, mysterieus, geregeld een tikje absurd en daarenboven racete alles lekker door. Een mooie zin hier en daar, grapjes waar ik mee kon lachen, en na verloop van tijd gingen de hoofdfiguren op een woonboot wonen, dat ook. Een ideaal boek voor op een terras onder een zon die heet maar tegelijkertijd net warm genoeg schijnt, dacht ik erbij. Toen we die vrijdagavond thuiskwamen was ik al voorbij de helft.

Omdat ik niet kon slapen las ik 's nachts tussen 4 en 5 opnieuw in het boek; het bleek inderdaad een boek voor op een terras te zijn. Bij nacht in de zetel scoorde het minder. Of – want dat kan ook – de tweede helft van het verhaal is minder, verwatert tot een snel verhaal over de liefde met zoef-zoef een flauwigheid hier en daar en te weinig vakantie in Venetië. De geweldige beginzinnen moeten uiteindelijk nogal veel dragen. Maar gelukkig, zo dacht ik na het uitlezen, gelukkig wordt niet alles duidelijk. Verder leerde ik wel een en ander bij over kakkerlakken, ik moet daar eerlijk in zijn.

Toen moest er – alles voor de wetenschap – een top drie gemaakt worden van romans over de liefde en het overspel met een belangrijke rol voor een woonboot erin. Want dat blijkt een constante te zijn in de Nederlandstalige literatuur: als de hoofdfiguren behoorlijk wat tijd doorbrengen op een woonboot, plakt er overspel aan de knikker ([Loc=woonb] => [Ovrsp]). Altijd ([tjrs]: [Loc=woonb] => [Ovrsp]). De top 3, gesteld dat het weer goed is:
  1. Willem Jan Otten: De wijde blik
  2. Aat Ceelen: Het kanaal
  3. Jeroen Brouwers: Geheime kamers (en het kan niet anders of in dit boek bliksemt het ergens)
Ze staan naast elkaar in het boekenrek, Otten en Ceelen, en zo groeit er elke dag een beetje meer structuur in het nog steeds nieuwe boekenrek in het nog steeds nieuwe appartement. En omdat het ook vandaag heet is, ben ik net in de nieuwste van Ceelen begonnen: Aan mijn vrouw. Ook dat heeft een sterk begin, en ik vraag me nu al af of dat, net als in Het kanaal, verderop in het boek nog eens herhaald wordt, zoals er ook in dit boek schilfers neerdwarrelen wanneer de hoofdpersoon zich op zijn hoofd krabt, en die hoofdpersoon ook in dit boek weinig lijkt uit te voeren: ”geen kloot [...], al m’n hele leven niet”(p 12).

En wat we vanavond eten? Pasta, pancetta, tomaten, en kaas in schilfers.

Aat Ceelen Het kanaal. Amsterdam/Antwerpen: L.J. Veen, 1999.

18.6.05

onweder

Onder een zon die net warm genoeg scheen, zaten we op het terras van de Sphinx. We lazen. Gezellig. Lief herlas De grap van Gerrit Janssens, ik deed Het kanaal van Aat Ceelen. Halfweg mijn Westmalle dubbel keek lief op uit haar boek en zei bliksem. Ze zei bliksem. Ze citeerde en ze zei bliksem. Liefde is – zo blijkt hier duidelijk uit – elkaar bliksem signaleren.

Ik ging na het eten slapen, het was nog geen half negen. Toen ik in bed lag, bliksemde het en begon het te donderen. Het diepe gerommel naderde, tot het plots knalde, vlak boven ons appartement. Laat het maar eens goed stormen, dacht ik. (uit: Gerrit Janssens De grap. Averbode, 2002. p 34-35)
Verder is liefde ook het t-shirt van lief schoonmaken wanneer dat op het terras van de Sphinx bescheten wordt door een duif. En kabeljauw bakken met appeltjes en kaas, curry en jonge aardappeltjes.

17.6.05

Dat het onderhand tijd werd voor de Stockholm marathon, dacht ik gisteren. Dat die al twee weken geleden gelopen is, blijkt vandaag. Het zijn toeren. Wat kan er in 's hemelsnaam belangrijker geweest zijn die vierde juni?

Deze foto nemen, dat zal het geweest zijn. Het kan niet anders. Als ik mijn sportschoenen terugvind, trek ik ze morgen nog eens aan. Binnen 50 weken is het per slot van rekening weer zover.