22.11.04

José Luí­s Peixoto: 'De blik'

Toen ik een jaar of wat geleden in Gazet van Antwerpen dit boek voor het eerst tegenkwam, wou ik het dadelijk lezen. Ik bekeek het in winkels, aaide het in Fnac en Limerick. Maandenlang zocht ik ernaar in de catalogus van de bib en wachtte tot het zinnetje "werk is besteld maar nog niet verwerkt" zou verdwijnen. Half september was het er, half september heb ik het gelezen, en zoals het hoort bij een langverwacht boek viel het een beetje tegen. Het lag compleet aan mij, ik beken, maar het viel een beetje tegen. Zoals het hoort bij een langverwacht boek vond ik niet alle passages raak genoeg, zaten er te lange stukken in, was het bij momenten te ijl. Dat een ander deel wel heerlijk was, was blijkbaar niet meer zo belangrijk.

Maar het is een goed boek en dus blijft het hangen - ook dat zoals het hoort. We zijn nu twee maanden later en om de een of andere reden zit het nog steeds in mijn hoofd. Om de een of andere reden stuift er nog steeds heet zand van op onder mijn kleren. Beelden, verhaallijnen schroeien nog steeds, kleuren zijn blijven hangen. Warm bruin-oker, de kleur van enkele zeer goede boeken.

En dus zocht ik ernaar in boekhandels toen ik zaterdag te laat was voor de middagfilm. Ik vond het voor 10 euro 50 met als cadeautje dat leuke fotootje van José Saramago erop geplakt - "Het werk van José Luí­s Peixoto is een openbaring" mag hij zeggen. Ik heb het gekocht en ga het nog eens lezen. Met nog hogere verwachtingen nu, dat ook.

Goede boeken kopen om een gemiste film goed te maken, dat werkt. Kwam daar daarna nog bij dat de man voor mij aan de kassa in de supermarkt net gestopt was met roken, het meisje van de soepbar nog steeds blij zwanger is en de jolige cassière (m/v) mij bedankte voor het ook die zaterdag niet plegen van diefstal. Hieperdepiep.

José Luís Peixoto De blik. Amsterdam: Meulenhoff, 2003.

20.11.04

na de tocht

Er brandt geen licht meer bij Lucy en ook de honden slapen in hun hokken. Alleen onze stappen klinken in de straten, en onze adem en tot morgen, Mulders, Verstappen, Holst. Stanne en Kips. Het is al laat en we zijn al veel te lang op. We zullen elk nog wel een slaapmuts vinden in eigen huis. Tot morgen, tot straks. De wind blaast nog steeds, de wolken zullen hun regen pas verder het land in lossen. Het zal ook morgen weer warm worden.

18.11.04

de fluiter (5)

Vannacht droomde ik van de fluiter - dat is me nog nooit gebeurd. Ik zat in de woonkamer met een boek en zag twee oudere mensen voorbijwandelen aan de andere kant van de ruit. Het was de fluiter met zijn vrouw. De fluiter floot niet en droeg geen blauwe jas, maar toch was het de fluiter, en de vrouw was zijn vrouw, daar was ik zeker van.

Er was een geschil, ze hadden een woordenwisseling. Niet dat er echt woorden gewisseld werden want het was enkel de vrouw van de fluiter die sprak, op een drammerige en verwijtende toon, verongelijkt ook. Ze bleven staan recht voor de ruit, op de extra brede stoep hier voor de deur en de vrouw van de fluiter bleef haar klachten opsommen terwijl de fluiter de stoep afkeek, afwezig de meters leek te tellen tot aan het plein, de handen samen op de rug. En ik, ik bekeek hen. Ik hield een vinger tussen de bladzijden van mijn boek en bekeek hen. De fluiter boog zijn hoofd, de vrouw klopte pluisjes van de mouwen van haar groene kleed. Ze zwaaide met een vinger, zette haar andere hand op haar heup.

Langer dan vijftien seconden stonden ze er niet, ze gingen snel weer verder; ik zag nog net hoe de vrouw van de fluiter haar man met twee handen een duw verkocht. Ik denk dat ik hem nog net zag vallen, achter de heg van de buren. Verder herinner ik me niets meer. Man man man, dromen van de fluiter.

Met een fris gepoetste muis lijkt heel de computer vernieuwd. Ik scheer over het internet als nooit tevoren. (op zoek naar wat mensen zoal vinden van Paul Austers The book of illusions)

15.11.04

de proctoloog

De proctoloog heeft een nieuwe stagiaire.
Ze zit schuin achter hem en kijkt mee hoe hij mijn gegevens opvraagt in de computer. Ze heeft blonde krullen. Ze heeft blonde krullen en lacht verlegen wanneer ze merkt dat ik naar haar kijk.

De proctoloog heeft nieuwe grapjes.
Hij kan geen twee dingen tegelijk, dat kunnen enkel vrouwen. Tenzij één van die twee dingen kaartlezen is, want dat kunnen ze niet. Wat is dan het beste, vraagt hij aan niemand in het bijzonder. De nieuwe stagiaire blijft glimlachen. Ook de oude assistente lacht.

De proctoloog heeft een nieuwe lamp.
Hij zit als een mijnwerkerslamp aan een elastiek rond zijn hoofd. Het is een experiment dat helaas niet werken wil. Ik vermoed dat de nieuwe stagiaire glimlacht. De oude assistente neemt de lamp weer van het hoofd van de proctoloog, neemt wat haar mee - au - en doet de oude lamp aan het plafond branden.

De proctoloog heeft nieuws.
Alles is zoals het was. Dat is natuurlijk een probleem, maar natuurlijk ook weer absoluut niet. Niets nieuws onder de zon. Dat is goed nieuws. Hij schrijft het in een rapport in zijn computer, de nieuwe stagiaire leest over zijn schouder mee. Ik glimlach. Best gezellig hier.

Buiten viert men de dynastie en lief is thuis. Maar voor de fluiter is het een dag als een ander en dus riep ik net 'hoor!' en hoorde lief het ook, zag lief hem ook. Wat een feestdag.

13.11.04

zuur fruit eten, hoe doe je dat?

Knijp je rechteroog dicht en je linker tot een streepje. Trek je kaken naar achteren, je kin je hals in; je onderlip plooit nu mee dubbel, je tong duwt zich tegen je gehemelte om smakkend opnieuw los te laten. Draai nu tegelijkertijd met zoveel mogelijk handen van koeken-bakken-vlaaien. Slik. Nu is het over. Nu wil je een volgende hap. Begin opnieuw (oefening is belangrijk).

6.11.04

de gokker

Zie! riep ik tegen mezelf. Zie! Ik dacht: zie!
Ik dacht ik ken die jas, blauw, ik moet luisteren, dacht ik, goed luisteren. Maar ik hoorde niets. Maar ik hoorde niets, ik zag enkel blauwe banen vol dons, ginds ver bij de verkeerslichten. Ik moest naar links naar de bakker en ook verder naar de ganzen in het park, maar ik dacht zie! ik ken die jas. Ik versnelde mijn pas en liet links waar het was, liep rechtdoor, stak de straat over naar waar hij verdween, recht op het gokpaleis af. Ik stond nog enkele momenten te luisteren aan de ingang maar ik hoorde niets. Hij? Hier?

Een evil twin brother misschien?

voor Frank, bijzonder hartelijk!

Drie boeken uit de kast hier:

(1)Kader Abdolah: De reis van de lege flessen
(2)Gie Bogaert: Nathan Meyer, vrouwenwandelaar. Ontboezemingen van een lelijke jongen
(3)Per Olof Sundman: Jägarna
Er is iets dat hen bindt: het zijn mijn drie enige door de auteur gesigneerde boeken. En nog iets: ze zijn alledrie niet voor mij gesigneerd, maar ik kocht ze tweedehands. Het boek van Abdolah (1) kreeg zijn handtekening in april 2000, toen het nog eigendom was van iemand die zijn boeken met een konijnenstempel merkt, (2) werd op 15 mei 2000 bijzonder hartelijk opgedragen aan een zekere Frank en (3) was in februari 1960 voor Margareta Lindahl, een danseres.

Zelf heb ik nog nooit een boek laten signeren. Ook nu ben ik op de boekenbeurs weer vlot langs Gie Bogaert (die!) heen gewandeld en kocht ik Slaap! van Annelies Verbeke zonder een kwartiertje op de schrijfster zelf te wachten. Ik vind ze interessant hoor, handtekeningen in boeken, dat is het probleem niet. Ze dragen bij tot de geschiedenis van het boek in kwestie, net als de streepjes en kruisjes, commentaren en achtergelaten bladwijzers in de boeken uit de bib of de tweedehandszaak. Maar zelf zo'n archeologische bijdrage leveren gaat me te ver. Misschien omdat ik weet dat een handtekening voor mij er gewoon zou staan omdat ik ze vroeg en verder niets betekent. Handtekeningen voor anderen daarentegen zijn interessant, spannend en mysterieus. Handtekeningen voor anderen zijn een extra verhaal, zijn de neerslag van een hartstochtelijke twee maanden durende liefdesaffaire in een pension in Lapland.

Ik ben een boekenvoyeur. Zelf hoef ik er niet bij in, als ik maar mag kijken en lezen en denken. (Zoals ik ook blij naar het Eurovisiesongfestival kan kijken zonder de behoefte te voelen per sms te stemmen.)

4.11.04

Leo Pleysier: 'Volgend jaar in Berchem'

Jongeren hebben wel eens vreemde verwachtingen over 'de literatuur'.

Toen ik 17 was en voor school Wit is altijd schoon van Leo Pleysier las, was ik onthutst, onthutst dat dat boek op de keuzelijst stond, dat dat boek literatuur was. Want Wit is altijd schoon was geen roman over grote ideeën en verheven thema's. Wit is altijd schoon stond niet bol van de ronkende volzinnen met barokke woorden vol geheimen. Niets van dat alles, en integendeel: het was alledaags aards geroddel en gelul in een dialect uit de Noorderkempen! Ziedaar het verval van onze cultuur, dacht ik.

(Jij vreemderd van 17, denkt u? Vergeet het; enkele stageklasjes 17-jarigen aan wie ik enkele jaren geleden fragmenten Campert, Andreus en Mennes voorlas als zijnde literatuur vonden die teksten kinderlijk. Zij wilden Vondel horen. Vondel!)

Maar de tijden veranderen, zo ook ik (en ongetwijfeld ook de studenten uit mijn stageklassen), en ondertussen houd ik van Pleysiers boeken en het kleinmenselijke in zijn portretten. Er staan er tegenwoordig een aantal van in de kast hier. Gisteren las ik er nog eens één van: Volgend jaar in Berchem, het familiefeest-op-nieuwjaarsdag-boek. Ik hield ervan, familiefeesten zijn in de kunst zoveel beter - en sneller voorbij - dan in het echt, ik hield ervan en wel hierom:

- een verteller/zwijger met wie het fijn identificeren is (en hadden wij op familiefeesten maar zo'n zwijg-excuus)
- de dierscènes die het bokje bij de ballen pakken en het confronterende van de relaties extra benadrukken, het een niveau verder slepen
- het ontbreken van alwetende uitleggerij; de soberheid van de vertelsituatie; de naturel van de stemmen; de eerlijkheid
Interessant allemaal, maar dit volstaat; nu naar bed en morgenvroeg fris naar de boekenbeurs in Antwerpen. De trousse kopen.

Leo Pleysier Volgend jaar in Berchem. Amsterdam: De bezige bij, 2000.