Maandagavond zag ik R. op het werk. Ze las Murakami, Norwegian Wood. Dat hoofdpersonage, zei ik haar, zag ik destijds nooit voor me als een Japanner. Het was veeleer Frank Vercruyssen. In de andere boeken van Murakami net hetzelfde; de mannelijke hoofdrol is voor mij áltijd Frank Vercruyssen. Alsof de boeken al verfilmd zijn.
We liepen samen de trap af, de gangen door en naar buiten. De bus van de MIVB zou binnen acht minuten komen. Dat het nog warm was, zei ze. Ja, zei ik.
Wachtend op de bus vertelde ik haar het verhaal over James Joyce en metrostation Ribaucourt, het verhaal dat ik tegenwoordig voortdurend vertel. Aan iedereen. Ik dacht er dadelijk bij dat ik daarmee moet ophouden. Sinds wanneer vertel ik zo'n verhalen? Ik moet dat toch niet doen? Ik ben Gie Bogaert niet. Ik moet daarmee ophouden.
14.3.07
>>
peren
>>
00:18
>>
0
reacties
13.3.07
Grote Europese roman (3) - Athene
Soms straalde uit zijn postzegels zuiver licht, helderheid, het geluid van de ochtend. Soms ademde zijn verzameling droefheid en lusteloosheid uit. Alsof je niet meer overeind kwam. Even ging Theo naast Elisabeth op het bed liggen. Hij had hoofdpijn en zij legde haar hand op zijn voorhoofd. Toen hij zijn ogen sloot, fluisterde ze in zijn oor: ‘Die onbekende postzegel is van Griekenland. Er staat een tempel op uit Athene.’
‘Athene’, herhaalde Theo, proevend van de letters. ‘Dank je wel, Elisabeth.’
Theo opende het raam en Elisabeth zei hem : ‘Die landen, al die landen, dat is toch onbegonnen werk. Waarom schik je niet gewoon al je mooiste zegels bij elkaar?’
Tussen de bomen, de stapeling van groen, vloog een reiger. De zon brak door de wolken. De hemel viel, een vat vol licht, en daar zat op een tak een tortelduif. Het bracht Theo de ingeving die hij nodig had.
K u r r – kru r r – k u r r.
‘De vogels?’ vroeg Theo.
‘Welja, breng een hoop zegels van vogels bij elkaar.’
‘We zullen vandaag’, zei Theo, ‘alle vogels verhuizen. De grote en de kleine vogels. De gele vogels, de rode vogels, de bruine vogels. De zangvogels en de andere vogels.’
Elisabeth Weiss voegde eraan toe: ‘Dit werk dient fluitend te gebeuren.’
>>
peren
>>
17:32
>>
0
reacties
>> labels:
kp
11.3.07
Grote Europese roman (2) - Brussel
Ik loop de stad in en ga in de Nieuwstraat staan kijken voor de etalage van een juwelierszaak. Dat heb ik nooit eerder gedaan. Ja, dat kitscherige goud, en de manier waarop vrouwen hun vingers bevalliger weten te maken, een nek hoger en ranker, de naaktheid van het menselijk lichaam beter kunnen kleden. Geboeid kijk ik toe, misschien ben ik zelfs een potentiële koper. Ik loer naar binnen. Achter de toonbank staat de juwelier, en voor hem staat een man onhandig te gebaren. Ik hoor een vaag geroep.
Plotseling gaat een sirene, in de winkel springt een blauw zwaailicht aan en de buitendeur vliegt open. Ik sta vlak naast de deur als de overvaller, een jongeman van amper twintig, naar buiten stormt, met in zijn hand een doorzichtige plastic zak waarin iets blinkt.
Wellicht wat goud.
Ik, die nooit een held ben geweest, steek toevallig mijn been uit, en de overvaller kan niet anders dan met zijn volle geweld ertegenaan lopen. Even klauwt hij in de lucht. Hij valt neer, smakt tegen het trottoir op zijn gezicht, en waarschijnlijk omdat ik dat al eerder zag op tv, grijp ik de arm van de overvaller en draai die op zijn rug. Ik ga boven op hem zitten, zonder nadenken, en terwijl het tot dan toe erg snel gebeurde, gaat alles vanaf nu heel traag. De overvaller kermt als ik hem hard neerduw met mijn knie. Omstanders komen mij aanmoedigen.
‘Ja, hou hem vast. Hou die smeerlap vast.’
Een van hen kan zich amper inhouden en schopt de overvaller. Iemand filmt ons digitaal. Op een vreemde, zeer lichamelijke wijze lig ik boven op deze overvaller, en steeds beter besef ik hoe wankel mijn positie is. Ineens zie ik dat de onhandige overvaller exact de houding aanneemt van een man die gevonden werd in de lava in Pompeji. Deze overvaller is een slordig afgegoten vorm, even anoniem, net zo tegen de grond gesmeten, met pijnlijk vertrokken mond, uitgeschakeld in het diepst van zijn wezen.
>>
peren
>>
18:50
>>
0
reacties
>> labels:
kp
'De bliksem slaat in eiken en sparren maar de bliksem is nog nooit in een beuk geslagen! Weiche die Eiche, suche die Buche,' had de oude Liepach, ooit afgezant in Pressburg en de eerste edelman in het geslacht van Von Kostanjevec tegen zijn kleinzoon Silvije, de prefect gezegd. (uit: Miroslav Krleza De terugkeer van Filip Latinovicz. De bezige bij, 2002. p 152.)Ik ook.
Dat joch moet als de bliksem weer in bed. (uit: Bavo Dhooge Sus Octopus. De Eenhoorn, 2005. p 124.)En nog:
Toen begon het te donderen en te bliksemen. (uit: Riet Wille Het beeld. Zwijsen, 2005. p 46.)
>>
peren
>>
14:21
>>
0
reacties
9.3.07
Ook dit jaar weer groot nieuws in Zweden:
De eerste 15 kraanvogels van het jaar zijn vandaag geland aan de Hornborgasjön. [Lezen in DN, SvD en Aftonbladet.] De lente van 2007 begint vandaag. Dat is duidelijk, dat staat vast. Vier het vanavond nog; eet stoverij bijvoorbeeld, met friet, als dessert iets van pudding.
>>
peren
>>
19:11
>>
0
reacties
Grote Europese roman (1) - Opdracht
Een boek schrijven als een Great American Novel, vermomd als een Grote Europese Roman. Ik heb gegoogeld, die bestaat nog niet. Groots en episch moet die de geschiedenis van de Europese mensheid samenvatten, maar dan vanuit het kleine perspectief van mensen die werken of leven in Brussel.
Misschien moet iemand die roman schrijven als een periodiek systeem. Zoals de Italiaan Primo Levi dat ook deed: elk hoofdstuk een chemisch element. Ja, elk hoofdstuk van mijn roman moet gaan over een hoofdstad, alsof elke stad een chemisch element is in een vernuftig Brussels systeem.
Met personages die op zoek zijn naar de allesverterende liefde, veelbelovend en ongeduldig. Of juist voortgestuwd door hun eigen verleden en daardoor wijs en triest.
En iemand moet de schoonheid van Administratie beschrijven, de erotiek van het zakenleven in Brussel. Samen met u, en op Europese wijze. In congrescentra, luchthavens en hotels zoeken wij hoe wij, vreemden, elkaar toch kunnen vinden. Hoe we er soms van houden elkaar niet te begrijpen. Hoe wij elkaar aftasten met handenvol taal. Hoe wij sommige geheimen alleen kunnen toevertrouwen aan mensen die wij nooit eerder zagen en nooit meer weerzien.
>>
peren
>>
06:45
>>
0
reacties
>> labels:
kp
2.3.07
Jean-Philippe Toussaint: 'De badkamer'
Ik vis naar de stukken olijf in mijn bord spaghetti-Sacla. Terwijl ik eet, kauw en vis, begin ik aan het derde deel van De badkamer. Ik vraag me af: lijkt dit op Het kanaal van Aat Ceelen? Misschien, denk ik, misschien en ik kijk achterom, naar het boekenrek, omgeving c. Van mijn vork op mijn broek schuift een sliert spaghetti.
Mijn vriendin komt thuis en zet zich voor de televisie. Grey's Anatomy. Is het goed, van die kerel in zijn bad, vraagt ze vanuit de zetel. Mijn hoofd staat warm. Ik leg er een hand op en zeg dat hij niet in bad zit nu. Hij is op bezoek en drinkt een aperitief. Het is roze, bitter en mousserend. Ik zeg ook: ik heb een warm hoofd.
Ik hoor mijn vriendin douchen. Voor het boekenrek, omgeving c, besluit ik dat De badkamer niet lijkt op Het kanaal. [Oké, er is een man, ik, er is een vrouw, er is een hotel in Venetië, mensen zijn er de weg kwijt. Maar is zulks niet bijna overal? Als bliksem?] ["Toen Edmondsson de deur helemaal dicht wilde doen, stak Kabrowinski bliksemsnel de steel van zijn paraplu in de spleet en bedankte, met een verontschuldigend lachje, nog eens voor de uitstekende maaltijd." (p 18)] Ik hoor hoe mijn vriendin de kraan dichtdraait. Ze is klaar. Ze komt de badkamer uit.
Jean-Philippe Toussaint De badkamer uit De badkamer, Meneer, Het fototoestel. Amsterdam: Prometheus, 2004.
>>
peren
>>
13:11
>>
0
reacties
[Handlingen kom till mig som ett stort underligt moln, sköt en blixt och drog förbi. Och ledsnaden blev kvar. (uit: Hjalmar Söderberg Doktor Glas. Albert Bonniers Förlag (Delfin), 1997. p 157.)]
>>
peren
>>
09:14
>>
1 reacties
26.2.07
[Een kolossaal bord, boven op de daken, completeerde het geheel en leek het complex te dopen, LAS VEGAS, de feeërieke naam onderstreept door twee bliksemschichten van blauwe fluorescerende neonbuizen, die met een geluidloze, striemende zweepslag strepen leken te trekken door de nacht. (uit: Jean-Philippe Toussaint Vluchten. Prometheus, 2007. p 88.)]
>>
peren
>>
08:20
>>
0
reacties
23.2.07
[Men jag tänker inte längre på Honom som en vredgad hämnare som skickar ut ljungande blixtar. Jag tänker mig snarare en bekymrad fader, som gång på gång knackar oss på axeln för att förmå oss att stanna upp, tänka efter och slå in på den väg som gör oss till älskande människor. (uit: Bengt Ohlsson Gregorius. Albert Bonniers Förlag, 2005. (7e druk) p 82-83.)]
>>
peren
>>
16:27
>>
0
reacties