23.11.05

da's interessant

  • De zesdaagse van Gent. Ik zie u zondag in blok K.
  • De nieuwste van Spinvis [erg Lou Reed trouwens, de eerste maten van Ik wil alleen maar zwemmen]. Te beluisteren in de luisterpaal van 3 voor 12 en live in de Handelsbeurs. Uitverkocht dat laatste, dat wel – helaas.
  • Een artikel van Michael Atkinson over boekenarcheologie in The Believer. Passie voor bladwijzers, notities in de marge of – en waarom niet – pluimen. Enige citaten:
    [...]bookmarkery, taken as what we may call sociopoeia, is substantiation of a genuine, invisible society of readership, a vast and silent ecosystem of shared memories, allusionary communication, mutual understanding, communal essence.

    [...] bookmarks should be snatched from the jaws of your quotidian life, if only so they could be fished out of the book a half century later and tell some unintentional but imperative thing about you to whatever book lover had the good grace to cross your bibliophilic path.
  • Ongetwijfeld ook dit van diezelfde Atkinson. Lezing wordt wel uitgesteld want hoort u het ook? Het is de plicht. Ze roept en ik gehoorzaam. Een frisse foto bekijken, dat kan nog net.

20.11.05

Na bijna vier maanden stilte:

Een smakelijke uientaart, een gevulde tomaat, tafelzuur... Misschien een custardpuddinkje. / Of hete bliksem met rolpens. Een goedkope bonensoep kon ook lekker zijn. / Ik heb daar dertig jaar lang geluncht. Als het niet bij de Union was, dan om de hoek bij de Cardinal Cafetaria and Eatery. Ook allang dicht. (uit: Seth Ventilatoren. Amsterdam: Oog & blik | De harmonie, 2003. p 36 strook 2)
En extra feestelijk is hij, want er zou een sterretje bij kunnen.

18.11.05

Leo Pleysier: 'De trousse' (bis)

Leo Pleysier schreef rond de jaren '90 een reeksje boeken die samenhangen. Ze zijn perfect afzonderlijk leesbaar, maar ze vormen ook een geheel doordat ze steeds gaan over dezelfde familie uit Hoogstraten. Ik heb het dan over Wit is altijd schoon, De kast, De Gele Rivier is bevrozen, Zwart van het Volk en Volgend jaar in Berchem. Elke keer krijgen we personages van dezelfde familie tegenover ons die in een reeks monologen en gesprekken hun verhaal vertellen. De stemmen van al die verschillende familieleden komen ons van alle kanten tegemoetgezoemd. De boeken bulken van de dialogen – misschien lieg ik hier want voor de meeste boeken is het al een tijdje geleden, maar ik herinner me eigenlijk louter dialogen, amper beschrijvingen. De boeken zijn dialogen. Het zijn boeken als verzamelingen van stemmen.

Die dialogen zijn de grote kracht van Pleysiers familiekroniek; ze komen heel natuurlijk, puur en eerlijk over. Ze zijn veelal geschreven in een bewerkte spreektaal, lekker strak en mooi in het gelid gezet; ze verheffen het Algemeen Hoogstratees tot literatuur en maken de streektaal uit de Antwerpse Kempen leesbaar voor elke Nederlandstalige zonder aan karakter in te boeten. Hoogstratees wordt altijd schoon. Ik ben er, echt waar, lyrisch over.

In enkele van die boeken kwamen we in de dialogen al een zeker tante Roza tegen, een non die als missionaris werkte in China en India. Vooral in De Gele Rivier is bevrozen speelde die een belangrijke rol; daar was ze de veelal afwezige hoofdfiguur die het boek droeg door de brieven die ze vanuit haar missieposten naar de familie in Hoogstraten stuurde. De familieleden lazen en becommentarieerden de brieven en haar afwezigheid en haar korte terugkeer naar het vaderland. Maar echt sprekend kwam de non zelf zelden naar de voorgrond. Haar karakter bleef daardoor vaag, en ietwat mysterieus.

een rij pleysier
Diezelfde non, tante Roza, heeft onlangs, in 2004, van Pleysier een boek helemaal voor zich alleen gekregen: De trousse. Roza komt nu zelf aan het woord en mag haar verhaal nu rechtstreeks aan ons vertellen. Ze doet dat alleen, in een monoloog, en zwijgzaam als ze is maakt dat het verhaal heel sober, heel gebald en uitgepuurd in veelal korte zinnen. Er staan nergens massa's adjectieven bij elkaar of bijzinnen van hier tot in Turnhout, neen, soberheid is troef. Dit dus in tegenstelling tot die eerdere boeken waar de sprekers wel spraakwatervallen waren, waar de dialogen overvloedig ratelden, waar de spreekstemmen van op het papier in je gezicht sprongen. Eerder werd er veel gesproken, veel herhaald, terzake of niet terzake. Nu is er tijd voor verstilling. Roza spreekt, en enkel zij. Natuurlijk herinnert zij zich af en toe nog wel een dialoog, maar die staat dan veel meer op de achtergrond dan vroeger en breekt niet in in de algemene soberheid. Enkel in de tweede helft van het boek, wanneer Roza's monoloog zich richt op thema's die haar echt na aan het hart liggen, waar ze echt emotioneel mee verbonden is, zien we dat er meer woorden nodig zijn, dat ze haar enthousiasme en gevoelens niet verbergen kan.

De versobering, eenvoud, ingetogenheid maakt dit boek tijdloos. Meer nog dan de eerdere – en ook buitengewoon fijne – boeken van Pleysier wordt de Trousse hierdoor een instant klassieker, een boek dat binnen 20 jaar nog steeds zal staan als een huis, dat los staat van modes en grillen maar goed is en goed blijft. Het enige in het boek dat wel vasthangt aan een mode en de tijdloosheid van de uitgave verbreekt, is het hemdje dat Pleysier draagt op de auteursfoto. Maar dat, dames en heren, is worst.

Wat ongetwijfeld wel bijdraagt tot het karakter van klassieker is dat de taal die zuster Roza gebruikt absoluut niet hip is. Ze neigt zelfs naar ouderwetsigheid. Doordat ze al 50 à 60 jaar voortdurend in het buitenland is – ze vertrok vlak na de oorlog en kwam slechts twee keer kort terug naar België – heeft ze natuurlijk wel een paar evoluties in het Nederlands gemist. Het maakt haar spreektaal archaïscher, maar dat gaat wonderwel samen met de verstilde sfeer. "Fijn dat ge mij komt verblijden met een bezoek," zegt Roza tegen een achternichtje dat plots als rugzaktoerist opduikt voor de kloosterpoort. Maar ze zegt het ook tegen ons, lezers. En wij kunnen dan niet anders antwoorden dan dat het genoegen helemaal aan ons is, dat we haar niet snel zullen vergeten en haar ook bedanken voor de mooie tijd.

En die Leo Pleysier, dat is een groot meester in kleine boeken.


Leo Pleysier De trousse. Amsterdam: De Bezige Bij, 2004.

14.11.05


Een uitbreiding:

Koen Peeters schrijft meer dan boeken, hij schrijft een oeuvre. Hij verzamelt, verwijst, vult aan. (11 nov)
Want ja, het is waar. Peeters individuele roman is niet Life of Pi, Mijn kleine oorlog of Hoe oma plots verdween; de Acacialaan is de Kapellekensbaan niet, maar het geheel, het verzamelde kluwen, de hele woonwijk van Peeters boeken, heeft een meerwaarde op de som van de delen en is meer, aanzienlijk meer dan de moeite waard. Zoals een banaan en een kiwi samen gemengd fruit worden – en zoals dat meer is dan een banaan en een kiwi – zo zijn boeken als De postbode en Bezoek onze kelders samen meer dan twee boeken.

Koen, achter je!
Zet ook uw hart niet uit bij het zien van een auteursportret genomen voor een levensgroot okapi-schilderij? Voelt dan ook u niet de sudderende sympathie voor de auteur en zijn universum? Houdt het ook u niet warm tijdens deze herfst? Ja toch. Ik durf te geloven dat we het eens zijn.

13.11.05

Lief keek naar The inspector Lynley mysteries en ik dacht: laat ik eens iets gewaagds doen. Ik zocht penselen en plakkaatverf bij elkaar en schilderde een banaan. Zo, dacht ik, dat is niet niks.

Maar alles was het ook niet; ik schilderde nog een banaan. Daarna ging ik een kwartiertje aan de dipchips. Lief keek naar Pauline en Paulette. Veel schilders schilderen fruit, dacht ik, en dat is volkomen terecht want fruit is een nobel onderwerp. Fruit is belangrijk voor onze gezondheden, onze economieën, onze arbeidsvreugdes. Eet fruit. Bananen, kiwi's of gemengd. Eet fruit.

Volledig herbrond schilderde ik daarna een mandarijn. Toen alles droog was, flikkerde ik het in een set op Flickr. Ik at meer dipchips. Lief lag te slapen. Mooi.

11.11.05

Koen Peeters schrijft meer dan boeken, hij schrijft een oeuvre. Hij verzamelt, verwijst, vult aan.

["Alles komt terug, maar anders." (Bezoek onze kelders p 62)] + [In november 2005 verschijnt Peeters' eerste dichtbundel Fijne motoriek bij Meulenhoff. Daar wordt naar uitgekeken.]

28.10.05

Vanmiddag fietste ik naar St.-Amandsberg om op zoek te gaan naar de Masereelstraat. Na een kwartiertje dwalen door het noordelijke hinterland van de Antwerpsesteenweg had ik haar al gevonden.

Dat ze bestaat weet ik sinds gisteren, toen ik er een kolom over las in het stadsmagazine, en dat ik naar die straat ging heeft alles met mijn verzameling over Koen Peeters te maken. Peeters leerde me Masereel kennen in Het is niet ernstig, mon amour; de cover is een houtsnede van Masereel en ook in de tekst wordt hij genoemd, ergens op een linkerbladzijde. Ik sla het boek voor u open en vind dadelijk het fragment:
In de middagpauze ontsnapten we naar buiten, en gingen we wandelen. We noemden hardop de namen van winkels en bedrijven die we passeerden. Beeldbuisfabriek Jacobini, confectieatelier Trentin, Mercedes-garage Carnewall, sigarenfabriek van het merk Farao. Een wandeling als een stoet van firmanamen. Wij van de wereldcongressen, zei Robert, de dweper die net Hergé had geruild voor Masereel. Was Masereel zoëven gestorven? Nee, Robert had gewoon een boek over hem gelezen. Frans Masereel, die leefde van 1889 tot 1972, was een Franssprekende Vlaming wiens houtsneden beroemd werden tot in China. Hij kapte in perehout de anekdotes van vriendschap en liefde, betogingen en oorlog, en van de mannen die de vrouwen bruut naar de borsten grijpen. Vanuit zijn atelier in Parijs beloerde hij met een kijker het spektakel in de straten. Robert tonde me in een boek die ene houtsnede: De kus. Hoog boven de stad leunt een vrouw uit haar raam en haalt een man aan die uit het raam van de overkant leunt. Zij kust hem innig. Het is indrukwekkend, zo'n liefde. (p 42-43)
De cover is De kus, maar dan in de beste traditie van de Belgische Mythologische kunst overkleurd met geel en rood.

Wat de Masereelstraat nog extra in mijn verzameling passen doet, is het basale feit dat het een straat is; en zoektochten naar straten zijn erg Koen Peeters. Om dat te illustreren zou ik graag citeren uit Acacialaan, maar dat boek staat niet in het rek, dat boek moet ik nog cadeau krijgen. Wat ik wel kan citeren uit Acacialaan is een irrelevante alinea die hier nog in een bestandje achtergebleven is:
Vincent gaat vandaag op schoolreis naar Brussel. Ik toonde hem gisteravond in een gidsje alles wat hij vandaag zal zien. Het parlement, het koninklijk paleis enzovoort, tot hij in slaap viel van mijn enthousiasme. (p ?)
Nadat ik de Masereelstraat zo snel gevonden had, wou ik ook het graf van Frans Masereel bezoeken op het Campo Santo, de indrukwekkende grafheuvel in Sint-Amandsberg. Dat bleek al heel wat moeilijker want het Campo Santo is een behoorlijk rommeltje – een mooi en nu in de dagen voor allerheiligen en allerzielen nog steeds rustig rommeltje, een heerlijk rommeltje onder een zomerse herfstzon, maar een rommeltje. Tenzij je op zoek bent naar de mastodont van Jan Frans Willems ben je daar een hele tijd zoet met het zoeken naar een graf. Een uur en een kwartier in mijn geval. De nabestaanden hielden het dan ook sober. Ik rustte enkele minuten uit op het bankje dat Masereels graf flankeerde en keek naar een vrouw die enkele etages lager een zerk verzorgde. Bedeesd nam ik een foto. Ik ging opnieuw zitten en zag een schoolklas passeren. Ik veegde wat bladeren weg. Ik kon naar huis. Straks eindigt de ramadam, dacht ik, ik fiets langs de Zondernaamstraat voor een nieuwe voorraad koeken – Ülker en Eti – dan kan een en ander gevierd worden.

PS: Vanaf vandaag (21 oktober) tot en met 15 januari 2006 is er een tentoonstelling van tekeningen, prenten en originele houtblokken van Frans Masereel in het museumpaviljoen van het Museum voor schone kunsten in Gent.
UPDATE: Ik kocht vandaag Masereels biografie door Joris van Parys. (winnaar Gouden Uil 1996)

25.10.05

Jos Geysels heeft een telefoon waar hij patience op kan spelen. En dat niet alleen; Jos Geysels speelt patience op zijn telefoon! Wie kon dat vermoeden?

22.10.05

Nicole Krauss: 'The history of love'

Nicole Krauss was vorige week in Stockholm en dat zorgde voor leuke interviews in DN en SvD. Dat ze mooi en vaak lacht, kunnen we er lezen, en dat haar laatste roman (The history of love) zwaar de moeite is, en dat die roman wel lijkt op Extremely loud and incredibly close van echtgenoot Jonathan Safran Foer maar dat zij daar zelf niets over zeggen of horen wil.

Ik plakte dadelijk twee citaten uit het interview met SvD in mijn Evernote, want ik viel voor haar enthousiasme:

-Jag ser den tomma datorskärmen och känner mig berusad av frihet, av möjligheter. Låt oss ta risker, tänker jag bra dagar.

-Det ska komma inifrån, men också vara påhittat, uppfunnet, vara något som aldrig tidigare har existerat, däri ligger utmaningen, och också vara något som bara just jag kan skriva. Varför ska jag annars skriva det?
Haar drang tot lezen en schrijven besmet me zelfs – de vogelgriep verdwijnt in het niets – via de kranteninterviews, net zoals (en sorry daarvoor, Nicole) ook de eerste helft van Jonathan Safran Foers laatste roman me enkele weken geleden helemaal beetpakte en wou doen lezen en schrijven onder lakens, op treinen en in gangen. Haar enthousiasme zal morgenvoormiddag de slaap uit mijn ogen jagen tijdens een fietstocht naar de bibliotheekfilialen in de randgemeenten waar haar boek nog te krijgen is (wel enkel in het Nederlands). Wie het vóór mij ontlenen wil, zal vroeg moeten opstaan of veel regen moeten bestellen bij Frank en Sabine.

Nicole Krauss The history of love. Viking, 2005.


PS: Staffan Lagerström plakte net dezelfde citaten uit het Krauss-interview in SvD op zijn weblog. Het zijn toeren die een vermelding verdienen. En er staan ook ganzenfoto's op dat weblog. Nog mooier kan het amper worden vannacht, inderdaad.

21.10.05

dromen zonder Kristien Hemmerechts

De vloer in de woonkamer is een witte toile cirée met rode en gele decoratieve elementen. Een tweebenige worm schuift erover van zuid naar noord, sneller dan je denken zou, en dan – plots – verdwijnt het zilveren lijfje. Ik sta recht en kom een stap dichter, draai mezelf tweemaal rond. Hij verdween in een gaatje. Het is rond; een sigarettengaatje zou het kunnen zijn of misschien steunde een nordic walker er te stevig: het is rond. Door het gaatje trillen bruine haren en ik denk: dat is die worm van vorige maand, ik maakte er toen een foto van. Ik spring op het gaatje. En nog, en nog en ook errond want wie weet hoever gleed die zilveren al niet verder, en nog en nog. Ik zweet en ben duizelig maar ik spring, en nog en nog.
De toile cirée komt helemaal in plooien en deuken te liggen. Ik ga opnieuw zitten en op handen en voeten probeer ik alles strak en recht te trekken. De lamp staat bij het raam vanochtend. De lamp valt bijna door de schokken naar links en rechts. Er is te veel toile cirée. Ik leg me neer op de zetel; een geweldige liedtekst borrelt op in mijn hoofd en ik denk: deze mag ik niet vergeten.
Ik word wakker. Ik eet een pannenkoek. Ik zet de computer aan en typ "dromen zonder Kristien Hemmerechts". Het liedje rijmde, de woorden ben ik kwijt.