4.6.21

Een week, anderhalve week geleden, zag ik in een droom een sperwer.

Ik zat in een tuin, wellicht het terras van een café. Tussen bomen hingen valggetjes of lampions, her en der stonden tafels, mensen zittend errond. En daar vloog dan een sperwer tussen. Het was een vrouw aan een andere tafel die hem op soort bracht - zelf had ik hem amper gezien.

[Bleekgroene ader in zijn kaak: bevroren bliksem die jij met je tanden volgt. (uit: Ocean Vuong Op aarde schitteren we even. Hollands Diep, 2019. p 156.)]

31.3.21

Vannacht hoorde ik in een droom een bosuil. Of ik hoorde hem in het echt - weinig is zeker.

28.3.21

Vanmiddag, rond enen, dommelde ik weg op de drempel van mijn ouderlijk huis, met mijn rug tegen de voordeur. In mijn droom zag ik twee grutto's.

Die grutto's waren erg rood geweest. En ik had ze wellicht gezien in het gebroekt - ik had door een telescoop staan kijken, had erbij gedacht: rood!

9.3.21

Vannacht zag ik in een droom een oehoe.

Ik wandelde met enige anderen door de stad, Antwerpen werd eerst gezegd. Er was een bouwplaats, alles was platgelegd en daarachter, op een binnenplaats zagen we een oehoe springen. Eén van ons bleek aan die binnenplaats te wonen en was al op de hoogte: die oehoe zat er al langer.

Ik probeerde met mijn nieuwe telefoon een overzichtsfoto van de wijk te nemen, want we klommen ondertussen een heuvel op, het was misschien eerder Rochefort. Ik probeerde een foto te nemen. Met mijn nieuwe telefoon. Of was het een tablet? Ik probeerde een foto te nemen, maar ik kreeg de camera niet open. Steeds opnieuw kwam er een soort 3D-gegenereerde kaart naar boven, een kerk in bruine baksteen erbij. Ik gaf het op, we waren ondertussen ook al een heel eind verder.

2.3.21

[Overal langs de weg zag ik ze staan. Het hout bezit een ongelooflijke combinatie van eigenschappen: het is verderlicht, ijzersterk, waterdicht en het groeit bliksemsnel. (uit: David Van Reybrouck Revolusi. De Bezige Bij, 2020. p 317.)]

22.2.21

Eind vorige week zag ik in mijn slaap twee ooievaars.

Tegen de straatkant bij nummer 48 zat een rechthoekige waterbak in de grond. Een drinkbak? Een strakke vijver, zoals bij Victor Campenaerts? Alleszins: er zat een laag ijs op het water en daaronder zag ik twee lange rode snavels, ooievaars. Ik stampte het ijs stuk en de ooievaars vlogen dadelijk weg. Er bleken ook aalscholvers en pinguïns in het water te zitten. Ik zag de meisjes bij de voordeur hun laarzen en regenjassen aantrekken.

[Zo jagen sneeuwpanters, de verrassing is hun wapen. Anders dan hun soortgenoten van de Afrikaanse savanne zijn ze te zwaar om een prooi rennend te pakken. Daarom stellen ze zich verdekt op, naderen hun prooien tegen de wind in en bespringen die van een paar meter afstand. Militairen noemen die tactiek van onverwacht en uit het niets voluit aanvallen een bliksemactie. (uit: Sylvain Tesson De sneeuwpanter. De arbeiderspers, 2021. p 138-139.)]

12.12.20

[De wankele geruchten, in die tijd tot ons doorgedrongen, maakten alleen maar melding van zeeslagen in de buurt van eilanden, waarvan wij, arme bliksems, nog nooit hadden gehoord. (uit: A. Alberts Een kolonie is ook maar een mens. Van Oorschot, 1995. p 110.)]